Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over medeplegen van het verbergen, wegvoeren en begraven van een lijk met het oogmerk het feit of de oorzaak van het overlijden te verhullen, zoals bedoeld in artikel 151 Sr Pro.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd doordat de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden afdoet, waardoor geen sprake is van een schending van de redelijke termijn.
Het beroep wordt derhalve verworpen. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.