Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bestaat uit een aantal deelklachten. Daarbij gaat het om klachten die deels verband houden met de afwijzing van een verzoek tot het als getuige horen van [slachtoffer] . Alvorens deze klachten te bespreken geef ik voor een goed begrip de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, enkele passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de daarbij overgelegde pleitnota alsmede ‘s hofs verwerping van een verweer met betrekking tot het ondervragingsrecht weer.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
verklaringvan de
verdachte.
in eerste aanlegvan 15 juni 2017 verklaard -zakelijk weergegeven-:
verklaringvan de
verdachte.
in hoger beroepvan 31 mei 2018 verklaard -zakelijk weergegeven-:
proces-verbaal zaaksdossier zaak Ohiod.d. 6 juli 2016 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 3 november 2015 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
[slachtoffer]:
proces-verbaal van aangifted.d. 23 september 2015 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
[betrokkene 1]:
proces-verbaal van bevindingend.d. 14 augustus 2015 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaar:
geschrift, zijnde een
beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, team familie 2, d.d. 1 mei 2015,
met betrekking tot [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , verblijvende bij [A] , [B] afdeling de [C] Capelle aan den IJssel, voor zover inhoudende:
eerstedeelklacht houdt in dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet kan volgen dat de moeder van [slachtoffer] als getuige is beëdigd. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest zouden om die reden nietig zijn.
NJ2003/156 had de voorzitter van het hof de moeder van enkele slachtoffers de gelegenheid gegeven mondeling mede te delen hoe het op dat moment met haar dochters gesteld was, waarop zij had medegedeeld dat het niet goed ging. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bleek niet dat de moeder als getuige was beëdigd. Uw Raad oordeelde dat, in aanmerking genomen ‘dat een verklaring van de bedoelde strekking in beginsel van belang kan zijn voor de beoordeling van de ernst van enkele van de door de verdachte begane feiten, te weten voor wat betreft de gevolgen welke die feiten voor de slachtoffers hebben gehad’, de afgelegde verklaring betrekking had ‘op enig onderwerp waaromtrent ingevolge art. 350 Sv Pro naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dient te worden beraadslaagd’. Daarom had de moeder alvorens een verklaring terzake af te leggen moeten worden beëdigd.
NJ2011/558 m.nt. Reijntjes heeft Uw Raad onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van beide bepalingen overwogen dat het slachtoffer dat gebruik maakt van het spreekrecht ‘niet optreedt als getuige en dat de door hem in dat verband afgelegde verklaring door de rechter niet kan worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde’. Dat laatste geldt volgens Uw Raad ook voor een eventueel aan de rechter overgelegd afschrift van de mondelinge verklaring. Daaraan voegde Uw Raad toe dat een en ander de bruikbaarheid voor het bewijs van een schriftelijke slachtofferverklaring die ‘buiten het kader van art. 302 Sv Pro in een schriftelijk bescheid is vastgelegd’ onverlet laat. [6]
NJ2012/367 m.nt. Cleiren geoordeeld dat de rechter ‘de ter terechtzitting afgelegde verklaring van degene aan wie het spreekrecht is toegekend (…) niet voor het bewijs van het tenlastegelegde mag bezigen’ maar dat de inhoud van de in het kader van het spreekrecht afgelegde verklaring wel ‘enige betekenis’ kan hebben bij de straftoemeting. Daarbij merkte Uw Raad op ‘dat de rechter het gewicht van de inhoud van de verklaring van het slachtoffer (…) als bedoeld in art. 302 (oud) Sv en van de inhoud van de verklaring zal behoren te beperken tot een accentuering van het beeld dat reeds uit het (overigens) verhandelde ter terechtzitting is verkregen’. [7]
(BFK: ECLI:NL:HR:2014:1695), waarbij de Hoge Raad voorop stelt dat blijkens de wetsgeschiedenis geen beëdiging van het slachtoffer als getuige is vereist als hem vragen worden gesteld die uitsluitend betrekking hebben op diens verklaring omtrent de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad, doch dat hij wel als getuige dient te worden beëdigd bij vragen die mogelijk samenhangen met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.’
NJ2012/367 m.nt. Cleiren uit (het inmiddels door Richtlijn 2012/29/EU vervangen) Kaderbesluit 2001/220/JBZ afleidde. [19]
tweededeelklacht houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte voorafgaand aan of ten tijde van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde gedragingen en handelingen heeft geweten dat [slachtoffer] minderjarig was. De stellers van het middel voeren in dit verband aan dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte pas op 13 augustus 2015 ervan op de hoogte is gesteld dat [slachtoffer] nog geen achttien jaar oud was. Blijkens de toelichting wordt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tevens geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte [slachtoffer] op 13 augustus 2015 heeft opgehaald en meegenomen naar zijn woning. Om die reden zouden de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed.
derdedeelklacht houdt in dat ’s hofs kennelijke oordeel dat de bewezenverklaring niet in overwegende mate steunt op de verklaringen van [slachtoffer] van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is. Ook ’s hofs oordeel dat compensatie achterwege kan worden gelaten zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen althans onvoldoende met redenen zijn omkleed. [26]
sole or decisive, maar slechts van
significant weightzijn. Daarbij wordt gerefereerd aan ‘recente arresten van het EHRM’. De inhoud van de schriftuur geeft evenwel geen aanleiding af te wijken van hetgeen is overwogen in HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123,
NJ2019/217 m.nt. Vellinga. Daarbij neem ik in aanmerking dat de in de schriftuur genoemde uitspraken van het EHRM, op een enkele uitzondering na, [31] dateren van vóór het arrest van 29 januari 2019, zodat aangenomen moet worden dat Uw Raad die heeft meegewogen bij het wijzen van dat arrest. Ik wijs er voorts op dat Uw Raad recent uitspraak heeft gedaan in twee zaken waarin de stellers van het middel een klacht van dezelfde strekking hadden geformuleerd. De desbetreffende middelen werden afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro. [32] Tegen die achtergrond faalt ook de klacht over het oordeel van het hof dat compensatie achterwege kan worden gelaten.
tweedemiddel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden doordat het hof de stukken niet tijdig heeft ingezonden.