Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd, nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.
BEWIJSMIDDELEN
(opmerking schrijf tolk: gaat met open rechterhand naar keel en strekt de open hand vervolgens op borsthoogte naar voren uit)en haalde haar zo
(opmerking schrijftolk: trekt rechterarm terug tot op tien centimeter voor borsthoogte).
Nadere bewijsoverwegingen
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.