ECLI:NL:HR:2020:734

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
19/00626
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:44 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over contracten onder bewind en misbruik van omstandigheden

In deze zaak stond de vraag centraal of overeenkomsten gesloten door een onder bewind gestelde geldig waren en of sprake was van misbruik van omstandigheden door de wederpartij. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 12 mei 2017, en bevestigt het oordeel van het hof Den Haag van 6 november 2018.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten tegen het arrest van het hof en concludeerde dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Er was geen noodzaak tot uitgebreide motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de eiser in de kosten van het geding. Hiermee wordt het arrest van het hof bekrachtigd, waarmee de positie van bewindvoerders en de bescherming van onder bewind gestelden in contractuele relaties wordt bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/00626
Datum17 april 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: Van [eiser],
advocaat: N.C. van Steijn
tegen
1. [bewindvoerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [bewindvoerder 2],
wonende te [woonplaats],
beiden in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [betrokkene],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: de bewindvoerders,
advocaat: J.A.J. Leeman.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest tussen partijen in de zaak 16/02182, ECLI:NL:HR:2017:867 van 12 mei 2017;
het arrest in de zaak 200.224.435/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 november 2018.
Van [eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De bewindvoerders hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de bewindvoerders toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt Van [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bewindvoerders begroot op € 2.091,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Van [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
17 april 2020.