Conclusie
de bewindvoerders) met een beroep op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW Pro) de vernietiging kunnen vorderen van overeenkomsten tot aanschaf van een sterrenwacht en astronomische apparatuur, gesloten tussen de onder bewind gestelde (hierna:
[betrokkene]) en [A] . [A] is een winkel in optische artikelen. Eiser tot cassatie (hierna:
[eiser]) was degene die de onderneming [A] feitelijk dreef. De levenspartner van [eiser] was destijds [betrokkene 1] . [betrokkene 1] - eiseres tot cassatie in de met deze zaak samenhangende zaak 19/00636 - was de eigenaar van [A] .
[betrokkenen]) ieder afzonderlijk hebben geprocedeerd - is nog slechts de kenbaarheid van de geestestoestand van [betrokkene] aan de orde. Ten aanzien van de kenbaarheid is het hof bij arrest van 6 november 2018 tot de conclusie gekomen dat al vanaf het moment van het sluiten van de (hoofd)overeenkomst in augustus 2006 voor [betrokkenen] de abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar was of had moeten zijn. Het hof heeft de bewijsaanbiedingen over en weer gepasseerd op de grond dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die - indien bewezen - kunnen leiden tot een andere beslissing.
1.Feiten en procesverloop
het verwijzingsarrest): [1]
het arrest voor verwijzing) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
het arrest na verwijzingof
het bestreden arrest) heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2014 bekrachtigd.
ofhet voor [betrokkenen] op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [betrokkene] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast; het gaat er uitsluitend nog om
vanaf welk momentde geestestoestand van [betrokkene] voor [betrokkenen] kenbaar was of had moeten zijn (rov. 2.14);
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof dermate ongebruikelijk dat het duidelijk moet zijn geweest aan [betrokkenen] dat zij bij het sluiten van de (hoofd)overeenkomst te maken hadden met een (wel zeer) makkelijk te beïnvloeden partij die volledig vertrouwde op (uitsluitend) mondelinge mededelingen van de kant van de verkoper.”
, komt het hof tot de conclusie dat al vanaf het moment van het sluiten van de (hoofd)overeenkomst in augustus 2006 voor [betrokkenen] de abnormale geestestoestand van [betrokkene] kenbaar was of had moeten zijn.
procesinleiding, par. 3 en 4 [10] ) klaagt dat het hof in rov. 2.26 ten onrechte twee bewijsaanbiedingen van [eiser] heeft gepasseerd. Dit zijn achtereenvolgens:
Bewijsaanbod:
procesinleiding, par. 5) over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 2.26 dat “
geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die - indien bewezen - kunnen leiden tot een andere beslissing”. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] de kenbaarheid (voldoende onderbouwd) heeft betwist en onderbouwd met verklaringen van getuigen/deskundigen die kunnen verklaren over de gebruikelijkheid van het koopgedrag van [betrokkene] ten tijde van het aangaan van de (hoofd)overeenkomst (en daarna). Het oordeel van het hof over de ongebruikelijke gang van zaken is immers dragend voor zijn oordeel, aldus de klacht.
procesinleiding, par. 6) dat indien (na getuigenverhoren) zou komen vast te staan dat de door het hof geschetste gang van zaken niet ongebruikelijk zou zijn, maar de andere oordelen stand zouden houden, zonder nadere motivering niet valt in te zien dat dit niet tot een andere beslissing zou kunnen leiden. Blijkens rov. 2.15 toetst het hof in dit verband immers aan alle omstandigheden van het geval. Indien één van die omstandigheden wijzigt zou dat kunnen leiden tot een andere beslissing. Ook om deze redenen had het hof, volgens de klacht, voornoemde bewijsaanbiedingen van [eiser] niet mogen passeren.
bewijsaanbod Istaat voorop dat dit moet worden gelezen in verband met het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 van haar vonnis van 10 september 2014 dat “
[A] [… ] uit de geregelde contacten met [betrokkene] en het koopgedrag dat hij vertoonde [heeft] moeten begrijpen dat [betrokkene] door deze bijzondere omstandigheden tot dit koopgedrag werd bewogen.” In de passages waarnaar het middel verwijst (pleitnota nr. 22 e.v.; CvD nr. 13) stellen [betrokkenen] dat het de vraag is of het door de rechtbank doorslaggevend geachte koopgedrag van [betrokkene] (het in een periode van vier jaar besteden van twee ton aan zijn sterrenwacht) nu werkelijk zo uitzonderlijk is en betogen zij, onder overlegging van een aantal verklaringen van getuigen/deskundigen, dat - in de woorden van het middel - het koopgedrag van [betrokkene] juist geen uitzonderlijk karakter had in vergelijking met dat van andere hobbyisten. [eiser] heeft kortom - zoals het middel ook betoogt (par. 4 en 5) de door de bewindvoerders gestelde kenbaarheid (als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro) betwist met stellingen aangaande de
gebruikelijkheid van het koopgedragvan [betrokkene] .
ongebruikelijkheid van het koopgedragten grondslag gelegd. Het heeft zijn oordeel immers gebaseerd op een aantal andere, in rov. 2.16 tot en met 2.19 aangegeven omstandigheden [11] (waaronder de ‘ongebruikelijke gang van zaken’ die erin bestaat dat geen offerte, bouwtekeningen e.d. op schrift zijn gesteld, rov. 2.17). Met andere woorden, het (tegen)bewijsaanbod van [eiser] was
niet ter zake dienend. [12] Op deze in rov. 2.26 tot uitdrukking gebrachte grond mocht het hof bewijsaanbod I passeren.
bewijsaanbod IImocht het hof voorbijgaan.