ECLI:NL:HR:2020:785
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak Hof Den Haag inzake naheffingsaanslag BPM en dwangsom
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een verzoek om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag ging belanghebbende in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag, dat op 3 mei 2019 uitspraak deed. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betreft, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 24 april 2020 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.