Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een dwangsombeschikking van 17 januari 2018. Dit beroep is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat de kwestie over de hoogte van de dwangsom en nevenvorderingen reeds tot in hoogste instantie is behandeld en beslecht. De rechtbank overweegt dat het niet past binnen de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om dezelfde kwestie opnieuw aan de rechter voor te leggen.
De rechtbank stelt vast dat eiser in eerdere procedures, waaronder bij de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad, heeft geprocedeerd over de dwangsombeschikking en de daarbij behorende vorderingen. De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:787) bevestigd dat klachten over het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen een dwangsombeschikking onderdeel uitmaken van het beroep tegen die beschikking en niet in een aparte procedure kunnen worden behandeld.
Eiser had zijn klachten over het niet tijdig beslissen op bezwaar moeten inbrengen in de reeds lopende beroepsprocedure over de WOZ-beschikking. Het feit dat hij dit niet heeft gedaan en een aparte procedure is gestart, leidt tot niet-ontvankelijkheid. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verzoek om wettelijke rente af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter F.M.S. Requisizione op 12 juli 2021 en is zonder zitting uitgesproken omdat de zaak duidelijk was. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.