Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor doodslag in een vrachtwagencabine te Breda. Het hof had vastgesteld dat verdachte door het latere slachtoffer met blote vuisten meerdere keren op het hoofd en lichaam was geslagen. Desondanks oordeelde het hof dat het met kracht toebrengen van een diepe en potentieel dodelijke steekwond in de hartstreek niet in proportionele verhouding stond tot de vuistslagen.
Verdachte voerde in cassatie aan dat sprake was van noodweerexces, en stelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr Pro niet aannemelijk was. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad stelde vast dat het niet nodig was om de motivering van het hof nader te toetsen omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de veroordeling voor doodslag blijft in stand.