Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of het door een tussenpersoon zonder vergunning ingediende aanvraagformulier voor een effectenleaseproduct kan worden beschouwd als het doorgeven van een order in de zin van de effectenwetgeving, waarvoor een vergunningplicht geldt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
De feiten betreffen een effectenleaseovereenkomst tussen eiser en Dexia, waarbij eiser stelt dat de tussenpersoon Finans Verzekeringen zonder vergunning handelde als orderremisier. Dexia zou daardoor onrechtmatig hebben gehandeld door het aanvraagformulier te accepteren. Het hof had geoordeeld dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van persoonlijke advisering die afwijkt van het hofmodel voor eigen schuldpercentage.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het betoog van eiser dat het aanvraagformulier als order moet worden aangemerkt, is verworpen. De Hoge Raad geeft een uitgebreide uitleg van het begrip 'order' in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, Richtlijn Beleggingsdiensten, MiFID en MiFID II, en de relevante jurisprudentie van het HvJEU. Het is aan het gerechtshof om te beoordelen of het aanvraagformulier voldoet aan de criteria van een uitvoerbare order. De zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek of het aanvraagformulier als order kwalificeert onder de effectenwetgeving.