Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van witwassen en poging tot witwassen. De criminele organisatie had geldbedragen verkregen door oplichting van banken en rechtspersonen, die vervolgens werden witgewassen via diverse methoden zoals het overmaken naar binnen- en buitenlandse rekeningen, contante opnames, aankoop van goudstaven en het opmaken van valse documenten.
De verdediging stelde in cassatie dat het oogmerk van oplichting van rechtspersonen niet toereikend was gemotiveerd door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en werd de veroordeling van verdachte bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.