ECLI:NL:HR:2020:826
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J. Koopman
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Berekening van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden
Belanghebbende, samen met zijn broer vennoot in een vennootschap onder firma (vof), maakte aanspraak op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) over investeringen in 2016. Het geschil betrof de juiste berekening van de KIA over het totale investeringsbedrag van de vof.
Het Hof had geoordeeld dat het totale investeringsbedrag van de vof (€119.385) leidde tot een KIA van €14.505, die vervolgens gelijk verdeeld moest worden over de vennoten. Belanghebbende was het hier niet mee eens en stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad bevestigde dat elke vennoot als individuele ondernemer wordt beschouwd en dat de KIA wordt berekend voor de belastingplichtige, niet voor het samenwerkingsverband. Volgens artikel 3.41 Wet IB 2001 worden de investeringen van het samenwerkingsverband bij elkaar opgeteld om het toepasselijke KIA-percentage te bepalen, waarna het aandeel van de vennoot wordt berekend naar rato van zijn eigen investeringen.
De Hoge Raad verduidelijkte de systematiek, met name bij investeringsbedragen die in de hogere rijen van de KIA-tabel vallen, en stelde dat het Hof's methode niet strikt juist was, maar in dit geval geen afwijkende uitkomst gaf. Uiteindelijk werd het beroep in cassatie ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.
De uitspraak benadrukt de juiste toepassing van de KIA-regels bij samenwerkingsverbanden en voorkomt onbedoelde fiscale voordelen of nadelen door de gezamenlijke investeringen mee te nemen in de berekening.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.