Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het voorbereiden en bevorderen van ernstige misdrijven zoals brandstichting, doodslag en moord met een terroristisch oogmerk, zoals bedoeld in art. 157, 288a, 289 jo 83 Sr en art. 96.2 Sr.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder klachten over de motivering van de bewezenverklaring en de afwijzing van een getuigenverzoek. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad gaf geen nadere motivering omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien en op 9 juni 2020 uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor de veroordeling voor voorbereiding van terroristische misdrijven met terroristisch oogmerk in stand blijft.