28. In cassatie is (uiteraard) niet bestreden dat IS is aan te merken als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, zoals bedoeld in art. 140a Sr. Wel wordt bestreden dat het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot deelneming aan die organisatie uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
29. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte veelvuldig (chat)contact heeft gehad met diverse personen over zijn voornemen af te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij IS. Op 29 april 2016 heeft de verdachte aan een chatcontact met de naam ‘ […] ’ bericht dat hij ‘komt meestrijden’ en dat hij ‘wil vechten voor zijn geloof’, waarop hij als antwoord heeft gekregen dat hij naar Turkije moet komen (bewijsmiddel 2). In een chat tussen de verdachte en ‘ [betrokkene 1] ’ heeft de verdachte gezworen dat hij de eed van trouw heeft afgelegd en zijn nadere afspraken gemaakt over de komst van de verdachte naar het ‘kalifaat’. De verdachte heeft in die chats bevestigd dat hij wil vechten voor IS en dat hij weet hoe hij met wapens moet omgaan. [betrokkene 1] bericht de verdachte vervolgens wat hij kan verwachten als hij in IS-gebied aankomt. De verdachte wordt onder meer een militaire training van drie maanden in het vooruitzicht gesteld (bewijsmiddel 3). Ook zijn in deze chats gegevens over (het tijdstip van aankomst van) de vlucht van de verdachte naar Istanbul op 26 mei 2016 doorgegeven en is de afspraak gemaakt dat de verdachte door een “broeder” in Istanbul zou worden opgehaald en dat de verdachte voor deze broeder herkenbaar zou zijn aan een grijze honkbalpet met de letters NY. Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij “gewoon naar IS, het kalifaat wilde” voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 1). Het hof heeft verder vastgesteld dat [betrokkene 1] op 23 mei 2016 aan de verdachte heeft doorgegeven dat hij contact heeft gehad met de “broeder” en dat alles volgens plan verloopt. De verdachte is ten slotte met de trein vanuit Amsterdam naar Brussel gereisd en daar op het vliegveld Zaventem in het vliegtuig naar Istanbul gestapt. Bij zijn aanhouding in het vliegtuig naar Istanbul was de verdachte in het bezit van een grijze honkbalpet met de letters NY (bewijsmiddel 5).
30. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof aldus kunnen afleiden dat de verdachte voornemens was naar het ‘kalifaat’ te gaan en zich bij IS aan te sluiten om mee te strijden. Daartoe heeft hij gedragingen verricht die het hof heeft kunnen aanmerken als een begin van uitvoering. De verdachte bevond zich met afgesproken kleding in een vliegtuig naar Istanbul en had voorbereidingen getroffen afgehaald te worden door een “broeder”. In het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, is het oordeel van het hof dat de reis van de verdachte ertoe strekte om zich daadwerkelijk aan te sluiten bij IS niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof dat de verdachte aldus heeft gepoogd te gaan deelnemen aan IS is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. De eerste klacht faalt.
31. De tweede klacht houdt in dat de door het hof gegeven motivering van de bewezenverklaring niet begrijpelijk is. Het hof heeft als bewijsmiddel gebruikt de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd. Enerzijds acht het hof die verklaring ambivalent, omdat onduidelijk was of de reis van 26 mei 2016 naar Turkije ertoe strekte zich aan te sluiten bij IS, anderzijds bezigt het hof die verklaring voor het bewijs. Volgens de steller van het middel leefde bij het hof kennelijk de vraag wat de verdachte precies bedoelde met zijn verklaring. Dat die verklaring ondanks de ambivalentie en de vraag die zij opriep redengevend wordt geacht voor het bewijs, is in het licht van het gevoerde verweer niet zonder meer begrijpelijk, aldus de steller van het middel.
32. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende de destijds bestaande wens zich aan te sluiten bij IS, niet ambivalent geacht. Wel ambivalent achtte het hof hetgeen de verdachte heeft verklaard over het doel van zijn reis naar Turkije op 26 mei 2016. Aan de ene kant heeft de verdachte verklaard dat die reis enkel zou dienen om daar naar de tandarts te gaan en zo tegelijkertijd te testen of zijn contactpersoon [betrokkene 1] daadwerkelijk bestond en te vertrouwen was. Aan de andere kant heeft hij, toen hem de inhoud van het chatgesprek van 29 april 2016 is voorgehouden, verklaard dat hij gewoon naar IS, het kalifaat wilde, dat hij niet weet wat hem bezielde en dat hij echt spijt had. Het hof heeft het eerste gedeelte van de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geoordeeld en geloof gehecht aan zijn verklaring dat hij “gewoon naar IS, het kalifaat wilde”. Het hof motiveert zijn oordeel door te wijzen op de inhoud van de (chat)gesprekken die er naar zijn oordeel op wijzen dat de verdachte stellig was in zijn voornemen om naar Syrië af te reizen en zich aan te sluiten bij IS, terwijl de gemaakte afspraken ten aanzien van 26 mei 2016 serieus waren en geschikt om het voornemen uit te voeren. Hetzelfde geldt voor het handelen van de verdachte op die datum. Verder merkt het hof op dat de verdachte op 21 mei 2016 in een (chat)gesprek met [betrokkene 1] heeft gemeld dat hij één kans had om het IS-gebied te bereiken en dat hij die kans niet wilde verspillen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de handelwijze van de verdachte op 26 mei 2016 was gericht op het benutten van die kans.
33. Het oordeel van het hof is in het licht van het bovenstaande toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af de bij het hof bestaande wens aan de verdachte nadere vragen te stellen over onderdelen van de verklaring. De tweede klacht faalt.
34. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
35. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden heeft bevolen, terwijl het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
36. In de toelichting wordt aangevoerd dat de overweging van het hof dat een solide basis ontbreekt op grond waarvan het kan vaststellen dat de situatie op dat moment anders was dan ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg niet begrijpelijk is. Het hof gaat niet in op de ontwikkeling die de verdachte volgens zijn raadsman heeft doorgemaakt, terwijl de reclassering schrijft dat zij geen radicaal gedrag meer ziet bij de verdachte. Bovendien wijst het hof zelf op het voortgangsverslag van de reclassering van 26 februari 2019, waarin wordt gesproken over positieve ontwikkelingen op diverse leefgebieden. Volgens de steller van het middel kan de omstandigheid dat het hof nauwelijks inzicht zou hebben gekregen in de psychische gesteldheid van de verdachte als zodanig niet leiden tot de conclusie dat is voldaan het vereiste om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
37. Sinds 1 april 2012 kan de rechter op grond van art. 14e Sr bij de uitspraak waarbij een (al dan niet gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt opgelegd, bevelen dat de gestelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Art. 14e, eerste lid, Sr luidt als volgt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
38. De bescherming van de veiligheid en lichamelijke integriteit van personen rechtvaardigt volgens de wetgever dat de mogelijkheid wordt gecreëerd om in individuele gevallen af te wijken van het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging eerst een aanvang neemt na het onherroepelijk worden van de veroordeling. De wetgever heeft wel onder ogen gezien dat een dergelijk bevel voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben en heeft de toepassing ervan met waarborgen omkleed.Zo kan een dergelijk bevel alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het desbetreffende wetsvoorstel is in dit verband het volgende opgemerkt: