Alternatief scenario van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij in de maand juni 2014 in Turkije vakantie aan het vieren was.
Gedurende het gehele onderzoek waaronder ook desgevraagd bij herhaling ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover geen concrete(re) aanknopingspunten verschaft. Zo heeft hij (bijna) niets willen verklaren over onder andere zijn reisroute, verblijfplaats, vliegtickets en activiteiten met betrekking tot de door hem gestelde vakantie in Turkije.
Nu de verdachte op geen enkele wijze deze stelling handen en voeten heeft gegeven en ook het dossier geen aanknopingspunt biedt dat verdachte in die periode in Turkije is geweest voor vakantiedoeleinden, schuift het hof deze verklaring over de vakantie in Turkije als onaannemelijk terzijde.
Ambtsbericht MIVD
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (verder: AIVD) of MIVD in beginsel tot het bewijs mag worden gebezigd. De strafrechter zal echter van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid moeten beoordelen of het materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken.
Thans ziet het hof – met inachtneming van de hierboven genoemde behoedzaamheid – zich voor de vraag gesteld of het voornoemde ambtsbericht van de MIVD met als bijlage het aanmeldformulier voor ISIL op naam van verdachte in het Arabisch en in de Engelse vertaling in dit geval voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het aanmeldformulier als zodanig betrouwbaar kan worden aangemerkt dat dit formulier voor het bewijs van het ten laste gelegde kan worden gebruikt, mede gezien het feit dat de MIVD de bron als betrouwbaar beoordeelt maar de betrouwbaarheid van de gegevens niet kan vaststellen.
Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Het Team Contraterrorisme en activisme van de politie heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van een van Interpol Washington via Interpol Lyon op 25 april 2016 ontvangen (excel-)lijst met 5184 namen die afkomstig zouden zijn van de aanmeldformulieren voor IS. Deze lijst met namen zijn door de FBI in de Verenigde Staten vertaald vanuit het Arabisch vanaf de aanmeldformulieren en verstuurd naar alle lidstaten aangesloten bij Interpol.
Het hof gaat ervan uit dat de herkomst van deze namen dezelfde is als die van de naam van verdachte zoals aangeduid in het ambtsbericht van de MIVD d.d. 3 november 2017. Het hof vindt hiervoor steun in het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen waaruit het hof is gebleken dat de gegevens die via Interpol met betrekking tot de verdachte waren overgedragen samenvielen met de gegevens zoals die in het ambtsbericht van de MIVD waren gecommuniceerd en derhalve kennelijk terug te voeren waren op dezelfde bron.
Ten overvloede merkt het hof op dat het ambtsbericht van de AIVD dateert van 29 maart 2016 en minder (maar niet andersluidende) gegevens bevat dan het veel later in de tijd uitgebrachte ambtsbericht van de MIVD. Het ambtsbericht van de AIVD zal in het hiernavolgende niet verder besproken worden, aangezien dit bericht niet gebruikt wordt voor het bewijs en de waardering van de betrouwbaarheid van het bewijs.
Op voornoemde lijst verstrekt door Interpol zijn twaalf personen aangetroffen die als Nederlander stonden vermeld of met een adres of telefoonnummer aan Nederland waren te koppelen. Uit nader onderzoek blijkt dat, behalve de verdachte die ook op die lijst staat vermeld, van die twaalf personen tenminste zes personen worden verdacht te zijn uitgereisd naar Syrië (in totaal 7 personen). Verder is vastgesteld dat op de aanmeldformulieren van deze personen allerlei persoonsgegevens staan die overeenkomen met de bij de politie bekende gegevens, zoals de geboortedatum, de naam van de moeder en de bijnaam (
kunya).
Conclusie ten aanzien van betrouwbaarheid van het aanmeldformulier voor ISIL
De bovenstaande bevindingen, in het bijzonder dat de aanmeldformulieren zijn te herleiden tot concrete personen die ervan worden verdacht te zijn uitgereisd naar Syrië en waarnaar onderzoek is of wordt verricht, versterken de vaststelling door het hof dat de gegevens in het aanmeldformulier bij het voornoemde ambtsbericht van de MIVD betrekking hebben op de verdachte en dat het de verdachte is geweest die dat aanmeldformulier heeft ingevuld nadat hij naar Syrië was gereisd. Alles afwegend, met de daarbij in dit geval passende behoedzaamheid, komt het hof tot de slotsom dat het als bijlage bij het ambtsbericht gevoegde aanmeldformulier voor ISIL zodanig betrouwbaar is dat dit bruikbaar is als bewijsmiddel. Het hof verwerpt het verweer dat het aanmeldformulier onbetrouwbaar bewijs vormt en dat de daarin vermelde gegevens “geplant” zijn.
Het hof zal het ambtsbericht van de MIVD met in het bijzonder de bijlagen inhoudende het aanmeldformulier voor ISIL in de Arabische taal en in de Engelse vertaling ervan dan ook voor het bewijs bezigen.
Verwerping, verweren, van de verdediging
Hetgeen in dit verband met betrekking tot de herkomst, authenticiteit en bedoeling van het formulier door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, wordt op grond van het voorgaande door het hof verworpen.
Terroristisch oogmerk
Het hof leidt uit de met betrekking tot de verdachte vastgestelde feiten af dat hij in de maand juni 2014 is afgereisd naar Syrië en daar een aanmeldformulier heeft ingevuld om zich aan te sluiten bij ISIL. De verdachte heeft zich hierbij opgegeven als Inghimasi, hetgeen zelfmoordvechter betekent. Dit is een goed getrainde strijder die explosieven en lichte wapens met zich draagt en vecht totdat zijn munitie op is.
Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, volgt uit deze vaststellingen.
Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van het ten laste gelegde maar ook al geruime tijd voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Dit kan verdachte gedurende zijn verblijf in Syrië niet zijn ontgaan. Verdachte heeft bovendien in zijn verhoor bij de politie verklaard dat ISIS staat voor geweld.
Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals ISIL wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver
islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.
Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met het oogmerk om het plegen van de in de artikelen 157 juncto 176a, 289 en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, aan anderen verschaffen van inlichtingen met betrekking tot zijn bereidheid als inghimasi op te treden en dus tot het plegen van deze misdrijven. Verder heeft verdachte met zijn inschrijving getracht zich gelegenheid te verschaffen tot het plegen van deze misdrijven.
Verdachte was met de door hem verschafte gegevens voor ISIL op afroep inzetbaar als inghimasi. Het hof tekent hierbij aan dat verdachte het telefoonnummer van zijn moeder en zijn (ex-)partner [betrokkene 3] bij ISIL had opgegeven. Op 26 juni 2014 – na zijn terugkeer – troffen politieambtenaren de verdachte aan in de woning van [betrokkene 3] te [plaats] . De verdachte verklaarde zich daar weer in te schrijven in de gemeentelijke administratie.”
7. De eerste deelklacht houdt in dat de kern van de bewezenverklaring het in de tenlastelegging genoemde (aanmeld)formulier betreft, een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid, sub 5 Sv, te weten een “ander” geschrift dat alleen kan gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen en dat het hof dat artikel heeft geschonden.
8. In de toelichting op deze klacht wordt aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen, voor zover het ambtsberichten dan wel processen-verbaal betreft waarin melding wordt gemaakt van de inhoud van dit geschrift, van geen (inhoudelijke) aanvullende bewijswaarde zijn en niet kunnen gelden als ‘andere bewijsmiddelen’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 5 Sv. De daarin vermelde informatie is volgens de steller van het middel immers afkomstig van dezelfde bron. Het hof zou hier ten onrechte aan voorbijgegaan zijn. Het oordeel van het hof dat dit geschrift als betrouwbaar kan worden aangemerkt, is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
9. Art. 339, eerste lid, Sv bepaalt wat als wettige bewijsmiddelen worden erkend. Onder 5o worden de schriftelijke bescheiden genoemd. Art. 344, eerste lid, Sv houdt in wat hieronder wordt verstaan. Onder 5o is een restcategorie opgenomen: alle andere geschriften. Deze andere geschriften kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.