ECLI:NL:PHR:2020:364

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
18/04824
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 176a SrArt. 288a SrArt. 289 SrArt. 83 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling Syriëganger voor voorbereiding terroristische misdrijven

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven, waaronder brandstichting, doodslag en moord met een terroristisch oogmerk, door zich aan te melden bij ISIL als inghimasi.

Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op een aanmeldformulier dat in Syrië werd gevonden en dat overeenkwam met de persoonlijke gegevens van de verdachte. Ondanks dat de naam en enkele gegevens op het formulier niet volledig correct waren, achtte het hof het formulier betrouwbaar in samenhang met andere bewijsmiddelen zoals ambtsberichten van de MIVD, verklaringen van familieleden en registratiegegevens.

De verdediging stelde onder meer dat het bewijs onvoldoende gemotiveerd was, dat het formulier onbetrouwbaar was, en dat alternatieve scenario’s zoals een vakantie in Turkije aannemelijk waren. Deze verweren werden door het hof verworpen. Ook verzoeken tot het horen van getuigen, waaronder het hoofd van de MIVD en AIVD, werden afgewezen wegens onvoldoende motivering.

De Hoge Raad concludeert dat het hof de bewijswaardering en motivering zorgvuldig heeft gedaan, dat de bewezenverklaring voldoende is onderbouwd en dat de strafrechtelijke kwalificatie van de gedragingen van de verdachte correct is. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot twee jaar gevangenisstraf voor voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/04824
Zitting14 april 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
Het cassatieberoep
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 oktober 2018 de verdachte wegens “met het oogmerk om een in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen” en “met het oogmerk om een in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen” en “met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. [1] Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is ingediend namens hem door mr. M. Rasterhoff, advocaat te Amsterdam.
3. De schriftuur vermeldt meermalen dat in een aanvullende toelichting nader zal worden ingegaan op de middelen en klachten. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter geen aanvullende toelichting. Navraag bij de strafgriffie van de Hoge Raad heeft geleerd dat een dergelijke toelichting daar niet is ontvangen.
De middelen
4. Het
eerste middelhoudt in dat de bewezenverklaring niet (in voldoende mate) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met
1 juli 2014te Rotterdam en/of Spijkenisse, althans in Nederland en/of Syrië met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en
- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van
demisdrij
venaan zich of aan anderen heeft verschaft
immers heeft hij, verdachte,
A. de reis gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich te voegen bij de terroristische organisatie
Islamitische Staat in Irak en Levant (ISIL)en daartoe een (aanmeldings)formulier ingevuld
in welke Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk.”
6. Het hof heeft de bewezenverklaring in het bestreden arrest gemotiveerd door middel van een bewijsoverweging, die is voorzien van voetnoten waarin wordt verwezen naar de bewijsmiddelen. Die bewijsoverweging luidt als volgt (met weglating van de voetnoten):

Bewijsoverwegingen.
Blijkens een ambtsbericht van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (verder: MIVD) van 3 november 2017 heeft de MIVD informatie gekregen van het Ministerie van Defensie van de Verenigde Staten over gegevens van een persoon met de Nederlandse nationaliteit die zich bij ISIS (het hof begrijpt:
ISIL nu op het aanmeldformulier staat vermeld Islamitische Staat in Irak en Levant) heeft aangemeld. Het betreft gegevens over [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1982) die zich op 10 juni 2014 bij ISIS heeft aangemeld als
suicide fighter(zelfmoordcommando).
Deze gegevens zijn gevonden – zo volgt uit de gegeven toelichting door het Ministerie van Defensie van de Verenigde Staten – door lokale Syrische strijdgroepen in juli 2015 in een ISIS hoofdkwartier in Tal Abyad (Syrië). In juni 2015 was dat door ISIS gecontroleerd gebied. De gegevens zijn eind november 2015 overgedragen aan de
anti-ISIS coalition forces.
Bij dit ambtsbericht is een kopie gevoegd van het originele formulier in de Arabische taal en een vertaling daarvan in de Engelse taal. De vertaling van het formulier in de Engelse taal zoals dat bij het ambtsbericht is gevoegd, luidt als volgt:
Het formulier wordt in de Engelse vertaling omschreven als een ‘Islamic State in Iraq and the Levant General Border Administration Mujahid’s Information Form’.
Gelet op titel van het formulier, de persoonlijke aard van de gegevens die moeten worden ingevuld en de (centrale) vraag of de persoon zich aanmeldt als
‘fighter, suicide bomber of inghimasi’, is dit formulier naar het oordeel van het hof bedoeld als een aanmeldformulier voor ISIL. Hierna zal dit formulier worden aangeduid als ‘aanmeldformulier’. Op de vraag of dit formulier als bewijsmiddel kan worden gebruikt, zal verderop in dit arrest worden ingegaan.
Persoon op het aanmeldformulier betreft de verdachte
Het hof stelt vast dat de volgende op het formulier weergegeven gegevens overeenkomen met de gegevens bij Basisregistratie Personen (verder: BRP) en de bij de politie bekende gegevens van de verdachte. De gevolgde nummering verwijst naar de nummering op het hierboven, ingekopieerde formulier.
1(a). Naam
De spelling van de naam weergegeven op het aanmeldformulier, [verdachte] , komt bijna geheel overeen met de naam van de verdachte, [verdachte] .
2(a). Bijnaam (kunya)
Op het aanmeldformulier staat als bijnaam van de verdachte [verdachte] .
Strijders voor IS/ISIL hebben vaak ook een bijnaam aangenomen. Dit wordt in het Arabisch
kunyagenoemd. Het is een bijnaam die kan zijn afgeleid van de naam van een (eerste) kind van de strijder. De betekenis van
abuis ‘vader van’. Daarnaast wordt er vaak een landaanduiding aan toegevoegd om aan te geven waar de strijder vandaan komt.
De vertaling van [verdachte] is derhalve ‘vader van [betrokkene 1] uit Holland’. Gebleken is dat het oudste kind van de verdachte [betrokkene 1] heet.

3. Naam moeder.

De op het aanmeldformulier opgegeven (spelling van de) naam van de moeder, [betrokkene 2] , komt bijna geheel overeen met de naam van de moeder van de verdachte, [betrokkene 2] .

5 (b). Geboortedatum

De op het aanmeldformulier ingevulde geboortedatum, [geboortedatum] /1982 (het hof begrijpt volgens de in Nederland gebruikelijke aanduiding: [geboortedatum] /1982), komt overeen met de geboortedatum van de verdachte zoals bekend in het BRP.

6 (a). Huwelijkse staat

De op het aanmeldformulier ingevulde huwelijkse staat, getrouwd, komt overeen met die van de verdachte, in de zin dat hij islamitisch getrouwd was met [betrokkene 3] , met haar een meerjarige affectieve relatie had en met haar en hun 3 kinderen in ieder geval tot en met juni 2014 heeft samengewoond.

6 (b). Aantal kinderen

Het op het aanmeldformulier ingevulde aantal kinderen komt overeen met het aantal kinderen dat de verdachte heeft. Verdachte heeft immers 3 kinderen.
21(a). (Eerste) telefoonnummer waarop hij bereikt kan worden
Het op het aanmeldformulier ingevulde telefoonnummer blijkt overeen te komen met het telefoonnummer van de moeder van de verdachte.
21(b). (Tweede) telefoonnummer waarop hij bereikt kan worden
Het op het aanmeldformulier ingevulde telefoonnummer blijkt overeen te komen met het telefoonnummer van [betrokkene 3] . De verdachte heeft een relatie gehad met [betrokkene 3] en samen hebben ze drie kinderen gekregen.
De gegevens op het aanmeldformulier betreffende de naam van de persoon die zich aanmeldt, de naam van de moeder, de geboortedatum, de huwelijks[e] staat, het aantal kinderen dat die persoon heeft en de telefoonnummers waarop die persoon bereikbaar is, komen overeen met de persoonlijke gegevens van de verdachte zoals die bekend zijn in het BPR en bij de politie. Op grond van deze overeenkomsten stelt het hof vast dat de gegevens vermeld op het aanmeldformulier overeenkomen met de gegevens van de verdachte.
Vertrek naar Syrië door de verdachte
Het hof stelt vast dat de verdachte eerst op of kort na 7 juni 2014 uit Nederland is vertrokken. Uit de gegevens van de BRP is immers gebleken dat de verdachte zich op 7 juni 2014 heeft uitgeschreven en zich heeft ingeschreven op een niet bestaand adres in de Verenigde Staten van Amerika. De verdachte heeft erkend het uitschrijven zelf te hebben gedaan, voordat hij Nederland (tijdelijk) verliet.
Op 29 maart 2017 heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in juni 2014 naar Turkije vertrokken is en dat hij later die maand weer terug was in Nederland.
De verdachte is blijkens een bezoek aan zijn woning door politieambtenaren op 26 juni 2014 weer terug in Nederland.
Uit een overzicht van de transacties van de verdachte op zijn rekening bij de SNS Bank blijkt dat de verdachte op 15 mei 2014 een SNS Wereldpas heeft aangevraagd, waarmee hij wereldwijd kan betalen en geld kan opnemen. Op 15 juli 2014 is de optie voor pinnen buiten Europa weer uitgezet. Het hof leidt hieruit af dat verdachte enige weken voor zijn daadwerkelijk vertrek uit Nederland voorbereidingen heeft getroffen voor verblijf buiten Europa.
Op 11 juni 2014 heeft de broer van verdachte een melding van vermissing van verdachte gedaan, omdat zijn moeder zich zorgen over hem maakte. Deze broer gaf aan dat verdachte uitingen zou hebben gedaan dat hij naar Syrië zou gaan. De broer van verdachte vertelde dat de verdachte twee weken spoorloos is geweest.
Verbalisant [verbalisant 1] is naar aanleiding van het bericht dat verdachte mogelijk was uit gereisd, op 19 juni 2014 naar de woning van de verdachte gegaan en heeft daar met [betrokkene 3] gesproken, de (ex-)partner van de verdachte. Zij gaf aan dat verdachte plotseling en zonder enig overleg was vertrokken onder medeneming van slechts handbagage. Zij sloot niet uit dat de verdachte richting de geweldshaarden in het Midden-Oosten was vertrokken.
De ouders van [betrokkene 3] verklaren dat zij van hun dochter hebben gehoord dat de verdachte twee keer heeft geprobeerd naar Syrië te reizen. De tweede keer was in juni 2014 en ging via Turkije. Hij is in Syrië geweest, maar hij vond het te erg. Hij is twee weken niet te bereiken geweest.
Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij een telefoontje van familieleden kreeg dat de politie naar hem op zoek was, omdat zij dachten dat hij naar Syrië was gegaan.
Op grond van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat de verdachte omstreeks 7 juni 2014 naar Syrië is vertrokken.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat voornoemde verklaringen allemaal onjuist zijn geverbaliseerd. Nu de verdachte dit op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd, schuift het hof deze stelling reeds daarom als onaannemelijk terzijde.
Invulling aanmeldformulier voor ISIL door de verdachte
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die dit formulier heeft ingevuld bij aankomst in Syrië. Daarbij neemt het hof nog in het bijzonder het volgende in aanmerking:
– Het aanmeldformulier vermeldt als datum en plaats van binnenkomst 10 juni 2014 te Jarablus in Syrië. Dit past bij een vertrek uit Nederland omstreeks 7 juni 2014 en een reis via Turkije naar Syrië.
– De persoonlijke gegevens die op het formulier vermeld zijn, zijn zeer specifiek. Deze gegevens kloppen precies met de persoonlijke situatie van verdachte.
– Het is moeilijk voorstelbaar dat een willekeurige derde zowel het telefoonnummer van de moeder van verdachte als het telefoonnummer van de moeder van zijn kinderen volledig correct opgeeft. Verdachte heeft hier geen verklaring voor anders dan dat hij het formulier niet heeft ingevuld.
Alternatief scenario van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij in de maand juni 2014 in Turkije vakantie aan het vieren was.
Gedurende het gehele onderzoek waaronder ook desgevraagd bij herhaling ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover geen concrete(re) aanknopingspunten verschaft. Zo heeft hij (bijna) niets willen verklaren over onder andere zijn reisroute, verblijfplaats, vliegtickets en activiteiten met betrekking tot de door hem gestelde vakantie in Turkije.
Nu de verdachte op geen enkele wijze deze stelling handen en voeten heeft gegeven en ook het dossier geen aanknopingspunt biedt dat verdachte in die periode in Turkije is geweest voor vakantiedoeleinden, schuift het hof deze verklaring over de vakantie in Turkije als onaannemelijk terzijde.
Ambtsbericht MIVD
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (verder: AIVD) of MIVD in beginsel tot het bewijs mag worden gebezigd. De strafrechter zal echter van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid moeten beoordelen of het materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken.
Thans ziet het hof – met inachtneming van de hierboven genoemde behoedzaamheid – zich voor de vraag gesteld of het voornoemde ambtsbericht van de MIVD met als bijlage het aanmeldformulier voor ISIL op naam van verdachte in het Arabisch en in de Engelse vertaling in dit geval voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het aanmeldformulier als zodanig betrouwbaar kan worden aangemerkt dat dit formulier voor het bewijs van het ten laste gelegde kan worden gebruikt, mede gezien het feit dat de MIVD de bron als betrouwbaar beoordeelt maar de betrouwbaarheid van de gegevens niet kan vaststellen.
Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Het Team Contraterrorisme en activisme van de politie heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van een van Interpol Washington via Interpol Lyon op 25 april 2016 ontvangen (excel-)lijst met 5184 namen die afkomstig zouden zijn van de aanmeldformulieren voor IS. Deze lijst met namen zijn door de FBI in de Verenigde Staten vertaald vanuit het Arabisch vanaf de aanmeldformulieren en verstuurd naar alle lidstaten aangesloten bij Interpol.
Het hof gaat ervan uit dat de herkomst van deze namen dezelfde is als die van de naam van verdachte zoals aangeduid in het ambtsbericht van de MIVD d.d. 3 november 2017. Het hof vindt hiervoor steun in het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen waaruit het hof is gebleken dat de gegevens die via Interpol met betrekking tot de verdachte waren overgedragen samenvielen met de gegevens zoals die in het ambtsbericht van de MIVD waren gecommuniceerd en derhalve kennelijk terug te voeren waren op dezelfde bron.
Ten overvloede merkt het hof op dat het ambtsbericht van de AIVD dateert van 29 maart 2016 en minder (maar niet andersluidende) gegevens bevat dan het veel later in de tijd uitgebrachte ambtsbericht van de MIVD. Het ambtsbericht van de AIVD zal in het hiernavolgende niet verder besproken worden, aangezien dit bericht niet gebruikt wordt voor het bewijs en de waardering van de betrouwbaarheid van het bewijs.
Op voornoemde lijst verstrekt door Interpol zijn twaalf personen aangetroffen die als Nederlander stonden vermeld of met een adres of telefoonnummer aan Nederland waren te koppelen. Uit nader onderzoek blijkt dat, behalve de verdachte die ook op die lijst staat vermeld, van die twaalf personen tenminste zes personen worden verdacht te zijn uitgereisd naar Syrië (in totaal 7 personen). Verder is vastgesteld dat op de aanmeldformulieren van deze personen allerlei persoonsgegevens staan die overeenkomen met de bij de politie bekende gegevens, zoals de geboortedatum, de naam van de moeder en de bijnaam (
kunya).
Conclusie ten aanzien van betrouwbaarheid van het aanmeldformulier voor ISIL
De bovenstaande bevindingen, in het bijzonder dat de aanmeldformulieren zijn te herleiden tot concrete personen die ervan worden verdacht te zijn uitgereisd naar Syrië en waarnaar onderzoek is of wordt verricht, versterken de vaststelling door het hof dat de gegevens in het aanmeldformulier bij het voornoemde ambtsbericht van de MIVD betrekking hebben op de verdachte en dat het de verdachte is geweest die dat aanmeldformulier heeft ingevuld nadat hij naar Syrië was gereisd. Alles afwegend, met de daarbij in dit geval passende behoedzaamheid, komt het hof tot de slotsom dat het als bijlage bij het ambtsbericht gevoegde aanmeldformulier voor ISIL zodanig betrouwbaar is dat dit bruikbaar is als bewijsmiddel. Het hof verwerpt het verweer dat het aanmeldformulier onbetrouwbaar bewijs vormt en dat de daarin vermelde gegevens “geplant” zijn.
Het hof zal het ambtsbericht van de MIVD met in het bijzonder de bijlagen inhoudende het aanmeldformulier voor ISIL in de Arabische taal en in de Engelse vertaling ervan dan ook voor het bewijs bezigen.
Verwerping, verweren, van de verdediging
Hetgeen in dit verband met betrekking tot de herkomst, authenticiteit en bedoeling van het formulier door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, wordt op grond van het voorgaande door het hof verworpen.
Terroristisch oogmerk
Het hof leidt uit de met betrekking tot de verdachte vastgestelde feiten af dat hij in de maand juni 2014 is afgereisd naar Syrië en daar een aanmeldformulier heeft ingevuld om zich aan te sluiten bij ISIL. De verdachte heeft zich hierbij opgegeven als Inghimasi, hetgeen zelfmoordvechter betekent. Dit is een goed getrainde strijder die explosieven en lichte wapens met zich draagt en vecht totdat zijn munitie op is.
Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, volgt uit deze vaststellingen.
Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van het ten laste gelegde maar ook al geruime tijd voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. Dit kan verdachte gedurende zijn verblijf in Syrië niet zijn ontgaan. Verdachte heeft bovendien in zijn verhoor bij de politie verklaard dat ISIS staat voor geweld.
Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals ISIL wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver
islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.
Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met het oogmerk om het plegen van de in de artikelen 157 juncto 176a, 289 en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, aan anderen verschaffen van inlichtingen met betrekking tot zijn bereidheid als inghimasi op te treden en dus tot het plegen van deze misdrijven. Verder heeft verdachte met zijn inschrijving getracht zich gelegenheid te verschaffen tot het plegen van deze misdrijven.
Verdachte was met de door hem verschafte gegevens voor ISIL op afroep inzetbaar als inghimasi. Het hof tekent hierbij aan dat verdachte het telefoonnummer van zijn moeder en zijn (ex-)partner [betrokkene 3] bij ISIL had opgegeven. Op 26 juni 2014 – na zijn terugkeer – troffen politieambtenaren de verdachte aan in de woning van [betrokkene 3] te [plaats] . De verdachte verklaarde zich daar weer in te schrijven in de gemeentelijke administratie.”
7. De eerste deelklacht houdt in dat de kern van de bewezenverklaring het in de tenlastelegging genoemde (aanmeld)formulier betreft, een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid, sub 5 Sv, te weten een “ander” geschrift dat alleen kan gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen en dat het hof dat artikel heeft geschonden.
8. In de toelichting op deze klacht wordt aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen, voor zover het ambtsberichten dan wel processen-verbaal betreft waarin melding wordt gemaakt van de inhoud van dit geschrift, van geen (inhoudelijke) aanvullende bewijswaarde zijn en niet kunnen gelden als ‘andere bewijsmiddelen’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 5 Sv. De daarin vermelde informatie is volgens de steller van het middel immers afkomstig van dezelfde bron. Het hof zou hier ten onrechte aan voorbijgegaan zijn. Het oordeel van het hof dat dit geschrift als betrouwbaar kan worden aangemerkt, is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
9. Art. 339, eerste lid, Sv bepaalt wat als wettige bewijsmiddelen worden erkend. Onder 5o worden de schriftelijke bescheiden genoemd. Art. 344, eerste lid, Sv houdt in wat hieronder wordt verstaan. Onder 5o is een restcategorie opgenomen: alle andere geschriften. Deze andere geschriften kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. [2]
10. Het hof heeft in het bestreden arrest de vraag of het aanmeldformulier dat als bijlage is gevoegd bij een ambtsbericht van de MIVD als zodanig betrouwbaar kan worden aangemerkt dat dit formulier voor het bewijs van het ten laste gelegde kan worden gebruikt bevestigend beantwoord. Anders dan in de schriftuur staat vermeld, is het hof er niet aan voorbijgegaan dat de informatie van Interpol Washington en de informatie waarop het ambtsbericht van de MIVD is gebaseerd, op dezelfde bron zijn terug te voeren. Het hof heeft zulks juist uitdrukkelijk overwogen.
11. Voor zover de deelklacht berust op de veronderstelling dat het hof het bewijs dat de verdachte de reis heeft gemaakt naar Syrië uitsluitend heeft doen steunen op het aanmeldformulier, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft het bewijs van dat onderdeel doen steunen op meer bewijsmiddelen. Zo heeft het hof aan de hand van gegevens ontleend aan de Basisregistratie Personen (BRP) vastgesteld dat de verdachte zich op 7 juni 2014 heeft uitgeschreven en zich heeft ingeschreven op een niet bestaand adres in de Verenigde Staten. De verdachte heeft erkend het uitschrijven zelf te hebben gedaan, voordat hij Nederland (tijdelijk) verliet. Op 29 maart 2017 heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in juni 2014 naar Turkije is vertrokken en dat hij later die maand weer terug was in Nederland. De ouders van de (ex-)partner van de verdachte verklaren dat zij van hun dochter hebben gehoord dat de verdachte twee keer heeft geprobeerd naar Syrië te reizen. De tweede keer was in juni 2014 en ging via Turkije. Hij is volgens deze verklaring in Syrië geweest, maar hij vond het te erg. Hij is twee weken niet te bereiken geweest. Ook is in de bewijsvoering betrokken dat de broer van verdachte een melding van vermissing van de verdachte heeft gedaan, terwijl de broer verklaarde dat de verdachte uitingen zou hebben gedaan dat hij naar Syrië zou gaan. De broer van de verdachte vertelde dat de verdachte twee weken spoorloos is geweest.
12. Het hof heeft de bewezenverklaring ook overigens doen steunen op de inhoud van meer bewijsmiddelen dan het genoemde aanmeldformulier. Op basis van die andere bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat gegevens van de persoon die zich op 10 juni 2014 bij ISIS heeft aangemeld als ‘suicide fighter’ op het aanmeldformulier voor ISIL, dat door lokale Syrische strijdgroepen in juli 2015 in een ISIS-hoofdkwartier in Tal Abyad (Syrië) is gevonden, overeenkomen met de persoonlijke gegevens van de verdachte zoals die bekend zijn in de BRP en bij de politie. Op grond van die overeenkomsten is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die dat formulier heeft ingevuld.
13. Het hof heeft aldus het bepaalde in art. 344, eerste lid, onder 5o in verbinding met art. 415 Sv Pro in acht genomen. Het hof heeft het aanmeldformulier, dat is aan te merken als een geschrift in de zin van art. 344, eerste lid onder 5o Sv, in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen gebezigd. De klacht faalt.
14. De tweede deelklacht houdt in dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet ondersteunend zijn aan het onderhavige geschrift en/of te onbepaald of speculatief van aard zijn om aan de bewezenverklaring te kunnen bijdragen.
15. Het hof heeft vastgesteld dat bepaalde op het formulier weergegeven gegevens overeenkomen met bij de BRP en de bij de politie bekende gegevens van de verdachte. Het heeft daartoe in voetnoten verwezen naar bewijsmiddelen waaraan die gegevens zijn ontleend. Bij de bespreking van de eerste deelklacht constateerde ik verder dat het bewijs dat de verdachte naar Syrië is gereisd ook op andere bewijsmiddelen dan het aanmeldformulier steunt. Ook de tweede deelklacht faalt.
16. De derde klacht houdt in dat het hof ervoor heeft gekozen alleen het ambtsbericht van de MIVD en het daarbij gevoegde aanmeldformulier in de Arabische en de vertaling daarvan in de Engelse taal (en dus niet het ambtsbericht van de AIVD en de informatie van Interpol) tot het bewijs te bezigen terwijl deze overweging (innerlijk) strijdig is met overwegingen waaruit zonder meer volgt dat het hof zowel de informatie van de AIVD als de informatie van Interpol heeft gebezigd tot het bewijs.
17. Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest. In een overweging ten overvloede heeft het hof in dit verband opgemerkt dat het ambtsbericht van de AIVD van 29 maart 2016 minder (maar niet andersluidende) gegevens bevat dan het veel later in de tijd uitgebrachte ambtsbericht van de MIVD en dat dit bericht niet gebruikt wordt voor het bewijs en de waardering van de betrouwbaarheid van het bewijs.
18. De vierde klacht houdt in dat het hof ten aanzien van het aanmeldformulier heeft overwogen dat de daarop vermelde gegevens overeenkomen met die van de verdachte maar dat het hof eraan voorbijgegaan is dat de naam van de verdachte, de bijnaam (naam dochter) en de naam van de moeder niet juist zijn weergegeven in het formulier. Het gegeven dat de telefoonnummers van de moeder en vrouw van de verdachte wel juist zijn ingevuld, brengt het hof tot de overweging dat het moeilijk invoelbaar is dat een willekeurig derde zowel het telefoonnummer van de moeder van de verdachte als het telefoonnummer van de moeder van zijn kinderen correct opgeeft. Dit is volgens de steller van het middel een onbegrijpelijke redenering dan wel vaststelling in het licht van het feit dat de desbetreffende gegevens niet correct zijn opgegeven.
19. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte het aanmeldformulier heeft ingevuld in het bijzonder in aanmerking genomen dat persoonlijke gegevens die op het formulier zijn vermeld zeer specifiek zijn en precies overeenkomen met de persoonlijke situatie van de verdachte. Het is volgens het hof moeilijk voorstelbaar dat een willekeurige derde zowel het telefoonnummer van de moeder van verdachte als het telefoonnummer van de moeder van zijn kinderen volledig correct opgeeft. De verdachte heeft hier ook geen verklaring voor.
20. Het hof heeft overwogen dat de naam op het formulier [verdachte] bijna geheel overeenkomt met de naam van de verdachte, [verdachte] , de naam [betrokkene 2] bijna geheel overeenkomt met de naam van de moeder van de verdachte, [betrokkene 2] en dat de bijnaam (kunya) die op het aanmeldformulier staat ‘vader van [betrokkene 1] uit Holland’ is en dat gebleken is dat het oudste kind van de verdachte [betrokkene 1] heet.
21. In de schriftuur wordt niet toegelicht waarom deze redenering dan wel vaststelling van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof voorbij is gegaan aan verschillen in schrijfwijze, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ook voor het overige treft de klacht geen doel. De omstandigheid dat de namen van de verdachte, zijn moeder en dochter niet volledig overeenkomen, laat zich eenvoudig verklaren door de transliteratiewijze. [3] Het geschrift is opgesteld in het Arabisch en vertaald naar het Engels. Het wekt geen verwondering dat er dan verschillen in de schrijfwijze van een naam optreden. Het oordeel van het hof is geenszins onbegrijpelijk.
22. De vijfde deelklacht houdt in dat het hof bij de verwerping van het door de verdachte geschetste “alternatief scenario” de onjuiste maatstaf heeft toegepast door dit te verwerpen onder de overweging dat dit “onaannemelijk” is. Volgens de steller van het middel is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een dergelijk scenario alleen kan worden verworpen indien dit “hoogst onaannemelijk” is.
23. Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij in de maand juni 2014 vakantie aan het vieren was in Turkije aangemerkt als een alternatief scenario van de verdachte. Het hof overweegt over die verklaring dat de verdachte gedurende het gehele onderzoek geen concrete(re) aanknopingspunten heeft verschaft die zijn lezing zouden kunnen ondersteunen. Zo heeft hij (bijna) niets willen verklaren over onder andere zijn reisroute, verblijfplaats, vliegtickets en activiteiten in Turkije. Nu ook overigens het dossier geen aanknopingspunt biedt voor de lezing dat de verdachte in die periode in Turkije is geweest voor vakantiedoeleinden, heeft het hof de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde geschoven.
24. De klacht faalt, omdat deze berust op een eis die het recht niet kent. De maatstaf die de steller van het middel noemt, dat het hof een alternatief scenario pas kan verwerpen als het hoogst onaannemelijk is, is te streng. In het kader van de verwerping van een alternatief scenario geldt als maatstaf of het aangevoerde al dan niet aannemelijk is geworden. [4] De klacht faalt.
25. De zesde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het reizen naar Syrië en het invullen van het onderhavige formulier niet zonder meer toereikend zijn om tot de “kwalificatie” van voorbereidingshandelingen te komen als bedoeld in artikel 96, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (bedoeld is kennelijk: het Wetboek van Strafrecht). Zonder nadere toelichting heeft deze klacht het karakter van schieten met hagel. Nu het middel specifiek tegen de bewezenverklaring is gericht, lees ik de klacht aldus dat deze inhoudt dat uit het bewijs dat de verdachte de reis heeft gemaakt naar Syrië ten behoeve van het zich voegen bij de terroristische organisatie Islamitische Staat in Irak en Levant (ISIL) en daartoe een (aanmeldings)formulier heeft ingevuld niet kan volgen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om de in de bewezenverklaring misdrijven te plegen of te bevorderen.
26. Voor een bewezenverklaring van de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 157, 288a en 289a Sr omschreven misdrijven, is voldoende dat het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden of bevorderen van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 157, 288a en 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht. [5]
27. Het hof heeft uit de vastgestelde feiten afgeleid dat de verdachte in juni 2014 is afgereisd naar Syrië en daar een aanmeldformulier heeft ingevuld om zich aan te sluiten bij ISIL. De verdachte heeft zich hierbij opgegeven als ‘Inghimasi’. Daaronder wordt een zelfmoordvechter verstaan; een goed getrainde strijder die explosieven en lichte wapens draagt en vecht totdat zijn munitie op is. Het oogmerk om één van de terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, volgt uit deze vaststellingen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van het ten laste gelegde, maar ook al geruime tijd voor die periode, jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden, waaronder moord en doodslag. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat ISIS staat voor geweld. Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals ISIL wilden op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beoogden zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen, werden in deze context begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee aan te merken als terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt daarmee het plegen van terroristische misdrijven in.
28. Het oordeel van het hof dat de verdachte met de reis naar Syrië en zijn inschrijving als ‘Inghimasi’ zich of anderen gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
29. De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
30. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
32. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij arrest ten onrechte het ter terechtzitting gedane (voorwaardelijke) verzoek tot het horen als getuige van het hoofd van de MIVD, het hoofd van de AIVD, Dick Schoof en de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding heeft afgewezen, terwijl de voorwaarde is vervuld en het hof zijn beslissing op deze verzoeken onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd en/of daartoe de onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.
33. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2018 houdt in dat de voorzitter de raadsman in de gelegenheid heeft gesteld de onderzoekswensen die de raadsman bij e-mail van 2 oktober 2018 heeft ingediend, toe te lichten en dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de pagina 2 tot en met 9 van de door hem overgelegde pleitnotities. Deze notities houden, voor zover van belang, in:

b) Het AIVD ambtsbericht
In het AIVD ambtsbericht staat het volgende vermeld:
De naam [verdachte] komt voor in een bestand dat op een in 2015 in Syrië aangetroffen harde schijf staat. Dit bestand wordt toegeschreven aan ISIS.
Niet blijkt uit het ambtsbericht
– Waar de harde schijf is aangetroffen Door wie de harde schijf is aangetroffen
– Aan wie de harde schijf toebehoort danwel toebehoorde
– Wie het op de schijf aangetroffen bestand heeft opgemaakt
– Met welk doel dit bestand is opgemaakt
Voorts blijkt niet door wie en waarom dit bestand wordt “toegeschreven” aan ISIS.
Het bestand is voorts niet bij het ambtsbericht gevoegd.
Waarom deze informatie als betrouwbaar is gekwalificeerd blijkt niet.
Dit brengt mij, mede in het licht van het navolgende, tot het voorwaardelijke verzoek om als getuige te horen de Bertholee, hoofd van de AIVD, die het ambtsbericht kennelijk heeft ondertekend, indien uw Rechtbank zou overwegen om het onderhavige ambtsbericht tot enige bewezenverklaring te bezigen.
Alsdan wenst de verdediging de heer Bertholee vragen te stellen over het betrouwbaarheidsoordeel en de herkomst van dit bestand.
c) Het MIVD ambtsbericht
De MIVD beoordeelt de bron als betrouwbaar, de betrouwbaarheid van de gegevens kan door de MIVD niet worden vastgesteld.
De stelling van het hoofd van de MIVD dat sprake zou zijn van een “kopie van het originele aanmeldformulier” is dan ook een kennelijke presumptie waar geen bewijs aan kan worden ontleend.
Mocht uw Hof daar anders over oordelen, verzoek ik u het hoofd MIVD op te (doen) roepen als getuige opdat de verdediging het ondervragingsrecht kan uitoefenen.”
34. De raadsman heeft daaraan ter terechtzitting het volgende toegevoegd:
“(…) Op p. 9 boven
f)doe ik het verzoek tot het horen van D. Schoof als getuige. De verdediging wenst hem vragen te stellen over de betrouwbaarheid en de authenticiteit van de lijsten. Gezien de NOS video heeft hij er kennelijk een opvatting over.
Onderaan p. 9 verzoek ik om het toevoegen van of inzage in de dossiers en informatie die aan het politie proces-verbaal van [verbalisant 2] van 10 oktober 2017 ten grondslag liggen. Het Openbaar Ministerie ziet dit proces-verbaal als steunbewijs, dus dan dient de verdediging dit te kunnen toetsen. Het is een belangrijke bron dus daarmee is de noodzaak gebleken.”
35. Het proces-verbaal houdt verder in dat de voorzitter de raadsman in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht. De raadsman heeft daarop het volgende opgemerkt:
“De verdediging wenst niet de rechtmatigheid te toetsen, maar de betrouwbaarheid. Daarom heb ik de passages uit de media en van deskundigen in mijn pleitnotitie opgenomen. Er is twijfel. Dit zegt veel over de waarde van het ambtsbericht. Het is aan uw hof om de betrouwbaarheid van het bewijs te beoordelen, maar als het gaat om dit soort bewijsmateriaal dan is het noodzakelijk de verzochte getuigen te horen en de verzochte stukken te verkrijgen.
De vraag of sprake is van dubbeltellingen is wel van belang. De bewijsmiddelen hebben allemaal dezelfde bron en dan is er in feite maar één bewijsmiddel.
De AIVD heeft een betrouwbaarheidsoordeel gegeven.
De noodzaak om dit oordeel te toetsen blijft overeind staan. Het is ook niet zo dat de AIVD per definitie niets zal prijsgeven. De wetgever wilde meer ruimte geven voor het gebruik van ambtsberichten voor het bewijs. De Hoge Raad stelt dan echter wel dat op zijn minst moet worden getracht om getuigen te kunnen horen en eventueel informatie te kunnen toetsen. We hebben in toenemende mate te maken met dit soort bewijsmiddelen. In deze zaak wordt zoveel waarde aan het bericht gehecht, dat de AIVD wel over de brug moet komen. Anders is de consequentie namelijk bewijsuitsluiting.
Voorts doe ik een aanvullend verzoek tot het horen van de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding als getuige, omdat diegene wellicht iets kan zeggen over de bron.
De feiten in de zaak die de advocaat-generaal noemt, ECLI:NL:RBROT:2017:915, zijn aanzienlijk anders dan in deze zaak. In die zaak lijkt er veel steunbewijs te zijn en, de betrokkene ontkent niet dat hij in Syrië is geweest.
Om de authenticiteit van het proces-verbaal van [verbalisant 2] te kunnen toetsen, dient te verdediging over de onderliggende stukken te kunnen beschikken.
Ik ben geen voorstander van het laten opmaken van aanvullende processen-verbaal, ik hoor liever de getuigen zelf.”
36. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de verzoeken van de verdediging het volgende overwogen en beslist:

Verwerping van de verweren en de beslissingen op de verzoeken van de verdediging
(…)
Hoofd van de MIVD
Het hof heeft er daarbij goede nota van genomen dat de MIVD de bron betrouwbaar beoordeelt, maar de betrouwbaarheid van de gegevens niet kan vaststellen. Dit brengt mee dat de verdachte niet in zijn verdediging geschaad is door de afwijzende beslissing op het verzoek het hoofd van de MIVD als getuige te horen (…)
Hoofd van de AIVD
Aangezien het ambtsbericht van de AIVD niet voor het bewijs gebruikt zal worden, is verdachte niet in zijn verdediging geschaad door het niet horen als getuige van het hoofd van de AIVD (…).
Dick Schoof
De verdediging heeft aangevoerd dat als bijlage bij het proces-verbaal van de politie van 10 oktober 2017 is gevoegd een NOS artikel, waarin een video met een interview met Dick Schoof is opgenomen, waarin Schoof zegt dat de betrouwbaarheid van de lijsten nog moet worden vastgesteld. De verdediging wenst hem vragen te stellen over de betrouwbaarheid en de authenticiteit van de lijsten.
Het hof wijst dit verzoek af. De NOS video behoort niet tot het strafdossier. Schoof heeft volgens de schriftelijke bijlage verklaard dat de lijsten, als deze authentiek zijn, het beeld dat van IS bestond bevestigen. Gelet op deze algemene vaststelling van Schoof, heeft de raadsman onvoldoende toegelicht in hoeverre Schoof eigen wetenschap heeft over de herkomst en authenticiteit van de lijst waarop verdachtes naam voorkomt.
Inzage in c.q. toevoegen van dossiers
Verder heeft de verdediging verzocht om het toevoegen van c.q. inzage in de dossiers en informatie die aan het politie proces-verbaal van 10 oktober 2017 ten grondslag liggen.
Blijkens het proces-verbaal heeft de verbalisant bezien of de namen die voorkomen op de interpollijst hem ambtshalve bekend zijn en in verband staan met Nederland. Bij een aantal van de door de verbalisant geïdentificeerde namen van de Interpollijst, heeft hij de titel van het politieonderzoek waarin de naam voorkomt weergegeven.
Uit de toelichting van de raadsman is onvoldoende gebleken welk belang de verdediging in de onderhavige strafzaak heeft bij het inzien of voegen van strafdossiers uit andere onderzoeken. Het hof wijst dit verzoek af.
Landelijk officier van justitie terrorismebestrijding
Ten slotte heeft de verdediging ter terechtzitting nog verzocht om het horen van de landelijk officier terrorismebestrijding.
Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman onvoldoende gemotiveerd waarom het noodzakelijk is deze getuige te horen. Het hof wijst dit verzoek af.”
37. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte bij e-mail van 2 oktober 2018 onderzoekswensen heeft geformuleerd. Het door de raadsman van de verdachte aan de advocaat-generaal gerichte en ter terechtzitting van 9 oktober 2018 gehandhaafde (voorwaardelijk) verzoek om het hoofd van de MIVD en het hoofd van de AIVD als getuigen te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 414, eerste lid, in verbinding met art. 263, tweede en derde lid, Sv. Nu uitsluitend hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geldt als maatstaf of de verdachte door afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.
38. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof kan het volgende worden vooropgesteld. Een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. [6] Het criterium dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, noopt de rechter ertoe een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. [7] Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [8]
39. Het hof heeft het verzoek om het hoofd van de MIVD als getuige te horen afgewezen omdat het hof er goede nota van heeft genomen dat de MIVD de bron betrouwbaar beoordeelt, maar de betrouwbaarheid van de gegevens niet kan vaststellen en dit meebrengt dat de verdachte niet in zijn verdediging geschaad is door de afwijzende beslissing op het verzoek. Het hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd. De beslissing is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Waarom dat anders zou zijn, wordt door de steller van het middel niet toegelicht.
40. Het verzoek om het hoofd van de AIVD als getuige te horen indien zou worden overwogen om het ambtsbericht tot enige bewezenverklaring te bezigen, heeft het hof afgewezen omdat het hof het ambtsbericht van de AIVD niet voor het bewijs zal gebruiken en de verdachte door het niet horen als getuige van het hoofd van de AIVD niet in zijn verdediging wordt geschaad. Ik merk op dat het verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het hof overweegt het ambtsbericht “tot enige bewezenverklaring te bezigen”. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat het hof niet was gehouden een beslissing op het verzoek te nemen. In cassatie kan hierover niet met vrucht worden geklaagd.
41. Het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen als getuigen van Dick Schoof en de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding is een verzoek als bedoeld in van art. 328 en Pro 331, in verbinding met art. 315 en Pro art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek is of de noodzaak tot het horen van de getuige is gebleken.
42. Het noodzakelijkheidscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Bij de vraag in welke mate een afwijzing van een verzoek op de voet van in art. 328 en Pro 331 Sv, in verbinding met art. 315 Sv Pro, (nader) dient te worden gemotiveerd, zijn de aard van het onderwerp waarover de getuigen zouden kunnen verklaren en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hen te horen van belang. [9] Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [10]
43. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 4 juli 2017 nadere beschouwingen gewijd aan de onderbouwing van een getuigenverzoek te stellen eisen en de beoordeling van dat getuigenverzoek door de rechter. Daarbij heeft de Hoge Raad ook het ondervragingsrecht, zoals dat is verankerd in art. 6, derde lid, onder d, EVRM, in zijn afwegingen betrokken. In dat verband benadrukt de Hoge Raad dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid, onder d, EVRM verzet zich er niet tegen dat deze eis aan de onderbouwing van een zodanig verzoek wordt gesteld. [11] Onder meer in zijn uitspraak in de zaak Poropat tegen Slovenië overwoog het Europese Hof dat “the defendant must, in addition, support his or her request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment of the truth”. [12]
44. Het verzoek tot het horen als getuige van D. Schoof over de betrouwbaarheid en de authenticiteit van de lijsten (naar ik begrijp: [13] met IS-strijders) heeft het hof afgewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdediging hem vragen wenst te stellen over de betrouwbaarheid en de authenticiteit van de lijsten en dat Schoof gezien de NOS-video daar kennelijk een opvatting over heeft. Het hof heeft overwogen dat de desbetreffende video geen deel uitmaakt van het strafdossier, dat Schoof heeft verklaard dat de lijsten, als deze authentiek zijn, het beeld bevestigen dat van IS bestond, en gelet op deze algemene vaststelling van Schoof, de raadsman onvoldoende heeft toegelicht in hoeverre Schoof eigen wetenschap heeft over de herkomst en authenticiteit van de lijst waarop verdachtes naam voorkomt. Die beslissing is, in het licht van wat de raadsman heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook in dit opzicht licht de steller van het middel niet toe waarom dat anders zou zijn.
45. Het verzoek om de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding als getuige te horen heeft het hof ook afgewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat diegene wellicht iets kan zeggen over “de bron”. Het hof heeft overwogen dat de raadsman onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is deze getuige te horen. Die beslissing is, in het licht van wat de raadsman heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Waarom dat anders zou zijn, wordt wederom niet toegelicht.
46. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte (betwiste) verklaringen van getuigen tot het bewijs heeft gebezigd zonder deze getuigen (ambtshalve) te horen, terwijl de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van het door het hof bewezen verklaarde. De toelichting houdt niet in dat en waarom het hof gehouden was de getuigen wier verklaringen het voor het bewijs heeft gebruikt (ambtshalve) te horen.
47. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde en daartoe – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“De kern van het beschikbare bewijsmateriaal wordt gevormd door een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 29 maart 2016. Dit komt er kort gezegd op neer dat in een bestand op een harde schijf, die in 2015 in Syrië zou zijn aangetroffen en welk bestand wordt toegeschreven aan IS, een formulier is aangetroffen met daarop personalia die, zo oordeelt de rechtbank, bezwaarlijk van iemand anders kunnen zijn dan van de verdachte. Hij zou volgens dit formulier op 10 juni 2014 zijn ingereisd en op 22 juni 2014 zijn uitgereisd. Zijn rol zou die van inghimasi/inghamasi zijn. Een inghamasi zou blijkens bronnen op het internet een zelfmoordstrijder van IS zijn.
(…)
Hoewel de politie nader onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van het ambtsbericht, komt de rechtbank tot de conclusie dat van bevestiging van die gegevens uit ander bewijsmateriaal geen sprake is. Meer in het bijzonder is, voor zover is gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, niet (verder) in politiegegevens onderzocht of de informatie over één of meer van de zeven andere uit Nederland afkomstige personen juist zou zijn. Evenmin is door de AIVD of door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid daarover nadere informatie verstrekt, niet over de herkomst van de harde schijf en niet over de authenticiteit en de betekenis van de gegevens.
De overige door de officier van justitie genoemde omstandigheden zijn buitengewoon verdacht, waarbij de rechtbank ook opmerkt dat de verdachte ter terechtzitting ontwijkend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij in de periode tussen 7 juni 2014 en 26 juni 2014 is geweest. Maar dat is precies wat het is: verdacht. Bewijs levert het niet op, ook niet in zaken over terroristische misdrijven.” [14]
48. De onderhavige zaak wordt niet gekenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, terwijl de rechter in hoger beroep die verklaring wel voor het bewijs gebruikt. De door de Hoge Raad in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943,
NJ2019/239, m.nt. Kooijmans voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat de rechter in hoger beroep ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing de redenen voor het gebruik van die verklaring dient op te geven en in het bijzonder moet vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep, vindt in deze zaak dan ook geen toepassing. [15] Daarbij komt dat het hof zijn oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal uitvoerig heeft gemotiveerd.
49. Voor zover de klacht steunt op de opvatting dat in het algemeen geldt dat in het geval de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken, het hof geen (betwiste) verklaringen van getuigen voor het bewijs mag bezigen als het de desbetreffende getuigen niet (ambtshalve) heeft gehoord, faalt deze, omdat deze opvatting geen steun vindt in het recht.
50. De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte het verzoek tot het (doen) toevoegen van nadere stukken in het kader van de waarheidsvinding en/of het toetsen van de aard en betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal heeft afgewezen.
51. Het hof heeft het desbetreffende verzoek afgewezen en daartoe overwogen dat uit de toelichting van de raadsman onvoldoende is gebleken welk belang de verdediging in de onderhavige strafzaak heeft bij het inzien of voegen van strafdossiers uit andere onderzoeken.
52. De steller van het middel licht deze rechtsklacht niet toe, terwijl evenmin wordt toegelicht welk rechtens te honoreren belang de verdachte heeft bij deze klacht. Voor zover al sprake is van een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, is deze gedoemd te stranden.
53. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

54. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
55. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
56. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De akte van cassatie vermeldt dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de (deel)beslissingen tot vrijspraak, zoals blijkend uit de doorhalingen in de ‘bewezenverklaring’ als vermeld op de pagina’s 18 tot en met 20 van het arrest.
2.Zie over de bewijswaarde van een ander geschrift ex art. 344, eerste lid, sub 5 Sv, HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9131,
3.Zo wordt de Russische naam Чехов in het Nederlands geschreven als Tsjechov, in het Engels als Chekhov en in het Duits als Tschechow.
4.Vgl. HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:906,
5.HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:906,
6.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
7.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
8.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
9.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
10.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
11.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
12.EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12, par. 42.
13.Zie
14.Rechtbank Rotterdam 12 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:271.
15.Vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1485,