Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 mei 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor valsheid in geschrift, specifiek het valselijk opmaken van een formulier in het kader van de Wet Bibob en Bouwactiviteiten. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld, maar deze stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte beoordeeld, waarin werd betoogd dat uit de bewijsvoering niet kon worden afgeleid dat het geschrift onjuist was en dat de verdachte opzet had op die onjuistheid. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij achtte de Hoge Raad het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat het niet ging om vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 mei 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.