ECLI:NL:HR:2001:AB2775
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor immateriële schade na doding kind met oogmerk nadeel toe te brengen
Partijen waren gehuwd en hun huwelijk werd ontbonden in 1995. Kort daarvoor heeft de vader het toen zevenjarige kind gedood. In een eerdere strafzaak werd hij veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en tbs wegens doodslag.
In deze civiele procedure vorderde de moeder immateriële schadevergoeding wegens het leed dat haar was toegebracht door de daad van de vader. Zowel rechtbank als hof stelden vast dat de vader met het oogmerk handelde om de moeder nadeel toe te brengen, waardoor aansprakelijkheid voor immateriële schade op grond van art. 6:106 lid 1 BW Pro bestond.
De Hoge Raad bevestigde dat immateriële schadevergoeding mogelijk is indien de dader met het oogmerk immateriële schade toe te brengen heeft gehandeld, ook al is er een limitatieve regeling voor nabestaanden in art. 6:108 BW Pro. De vordering werd daarom toegewezen en het beroep van de vader werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de vader voor immateriële schadevergoeding aan de moeder wegens het met oogmerk toegebrachte nadeel.