Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor bedreiging. Het hof legde een gevangenisstraf van 54 dagen op, waarvan 7 dagen voorwaardelijk, maar de strafmotivering maakte duidelijk dat het onvoorwaardelijke deel gelijk moest zijn aan de 17 dagen voorlopige hechtenis die verdachte had doorgebracht.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft, met vermindering van de straf. De Hoge Raad oordeelde dat de opgelegde straf onbegrijpelijk was omdat het onvoorwaardelijke deel de doorgebrachte voorlopige hechtenis overschreed, wat een kennelijke misslag is.
De Hoge Raad leest het arrest met verbetering van deze misslag en stelt het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf vast op 24 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep verder en benadrukt dat dergelijke misslagen bij voorkeur door het hof zelf hersteld dienen te worden om snel duidelijkheid te verschaffen.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een juiste strafoplegging die rekening houdt met de door verdachte reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis en illustreert de mogelijkheid van herstel van kennelijke misslagen door de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt hersteld tot 24 dagen waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.