Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 mei 2020.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake de machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de Wet Bopz. De rechtbank had eerder de machtiging bevestigd. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, terwijl de advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De beschikking van de rechtbank Rotterdam blijft daarmee in stand en het cassatieberoep wordt verworpen. De uitspraak is gedaan door de raadsheren van de Hoge Raad op 29 mei 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft gehandhaafd.