ECLI:NL:PHR:2024:232
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid rechter om terug te komen op oordeel over zorgmachtiging Wzd versus Wvggz
In deze zaak verzocht het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een opvolgende machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een Wzd-instelling. De rechtbank verleende meerdere tussenbeschikkingen, waarbij zij aanvankelijk oordeelde dat een zorgmachtiging op grond van de Wvggz passender zou zijn dan een machtiging op grond van de Wzd. Later besloot de rechtbank echter alsnog een opvolgende machtiging Wzd te verlenen, gebaseerd op nieuwe medische verklaringen en bevindingen die bij het eerdere oordeel nog niet beschikbaar waren.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onterecht terugkwam op haar eerdere oordeel en dat de weg naar verlenging van de machtiging Wzd daardoor was afgesloten. De Hoge Raad oordeelde dat het kenbaar maken van een gevoelen dat een zorgmachtiging passender is en het verzoek als zodanig beschouwen niet betekent dat het oorspronkelijke verzoek tot een Wzd-machtiging automatisch vervalt. Het naast elkaar bestaan van meerdere verzoeken is mogelijk, zeker indien de rechtbank de beslissing op een deel van het verzoek heeft aangehouden.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank bevoegd is om op grond van nieuwe feiten en omstandigheden terug te komen op een eerder oordeel en alsnog een machtiging Wzd te verlenen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de opname in de Wzd-instelling ondanks de niet-ideale setting geschikt en doelmatig is, mede gelet op de ernstige problematiek van betrokkene en het ontbreken van een haalbare ambulante zorgoptie.
De klachten van betrokkene werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de rechtbank bevoegd is om terug te komen op haar eerdere oordeel en een opvolgende machtiging Wzd te verlenen.