Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het verzet niet-ontvankelijk verklaarde omdat geen afschrift van het bestreden besluit was overgelegd bij het beroepschrift. De rechtbank vond dat de termijnen uit de Awb dwingend en van openbare orde zijn en dat het niet overleggen van het besluit niet verschoonbaar was.
De Hoge Raad oordeelde dat de verplichting tot overlegging van het bestreden besluit volgens artikel 6:5, lid 2, Awb niet absoluut is, maar slechts eist dat dit 'zo mogelijk' gebeurt. Tevens volgt uit artikel 6:6 Awb Pro dat het niet overleggen niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid. Ook is er geen termijn van openbare orde in dit geval.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het verzet met inachtneming van dit arrest. De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Het arrest benadrukt dat het voorschrift om het bestreden besluit mee te sturen vooral dient om een goed verloop van de procedure te waarborgen, maar dat het ontbreken hiervan niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid leidt als uit het beroepschrift voldoende blijkt welk besluit wordt bestreden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling van het verzet.