Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot medeplegen van invoer van 250 kilo cocaïne in Nederland, waarbij hij als bemiddelaar optrad tussen een Colombiaanse leverancier en Nederlandse afnemers. Het hof stelde dat de partij cocaïne al onderweg was naar Nederland en dat de kredietwaardigheid van de kopers nog moest worden aangetoond, maar dat er sprake was van een begin van uitvoering van het misdrijf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van de cocaïne. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de partij cocaïne al daadwerkelijk onderweg was naar Nederland, aangezien deze op zee voor de kust van het land van herkomst lag. Bovendien moest de kredietwaardigheid van de kopers nog worden vastgesteld voordat de invoer verder in gang kon worden gezet.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing. De zaak betreft een complexe cocaïnehandel waarbij de verdachte als bemiddelaar optrad, met uitgebreid bewijs waaronder tapgesprekken, politieonderzoek en verklaringen van de verdachte zelf.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.