ECLI:NL:HR:2021:1026

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
20/01343
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Verdrag sociale zekerheid rijnvarendenArt. 16 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 53 Algemene ouderdomswetArt. 66 Algemene nabestaandenwetArt. 31 Algemene kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling regularisatieovereenkomst sociale zekerheid rijnvarenden en coördinatie socialezekerheid

Belanghebbende, een rijnvarende die van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 werkzaamheden verrichtte aan boord van een vaartuig dat onder de Rijnvaart valt, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om vast te stellen dat hij uitsluitend in Luxemburg sociaal verzekerd was en geen Nederlandse volksverzekeringspremies verschuldigd was. De Svb wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De Rechtbank Rotterdam oordeelde deels in het voordeel van belanghebbende door te bepalen dat de Svb het verzoek voor de periode na 1 mei 2010 aan de Luxemburgse autoriteiten had moeten voorleggen. De Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en verklaarde de beroepen voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 ongegrond, maar oordeelde dat voor 2012 een nieuw besluit moest worden genomen.

Belanghebbende stelde acht middelen van cassatie in, waaronder motiveringsklachten en het betoog dat de Svb had moeten overleggen met Luxemburg op grond van het Rijnvarendenverdrag en Verordening 883/2004. De Hoge Raad verwierp deze klachten, benadrukkend dat zijn bevoegdheid beperkt is bij de beoordeling van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en dat genoemde bepalingen geen ruimere bevoegdheid aan de Hoge Raad geven.

De Hoge Raad concludeerde dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet onjuist is en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01343
Datum9 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2020, nrs. 18/1611 AOW, 18/1612 AOW, 18/1613 AOW, 18/1788 AOW en 18/1789 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 17/3142, 17/3207 en 17/3208) betreffende belanghebbendes verzoek om herziening van een besluit van de Sociale verzekeringsbank inhoudende de afwijzing van het verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien) respectievelijk artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (2010 en 2011), de afwijzing van belanghebbendes verzoeken tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bedoeld in artikel 16 van Pro deze verordening (2012 tot en met 31 oktober 2014) en de afwijzing van belanghebbendes verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 april 2021 geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover ziende op de afwijzing van de Sociale verzekeringsbank van het verzoek om met de bevoegde autoriteiten van Luxemburg in overleg te treden en voor het overige tot ongegrondverklaring van dat cassatieberoep. [1]

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende was van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 rijnvarende. Hij verrichtte zijn werkzaamheden aan boord van een vaartuig dat tot de Rijnvaart behoort in de zin van artikel 2 van Pro de Herziene Rijnvaartakte. Op het loon van belanghebbende zijn Luxemburgse socialeverzekeringspremies ingehouden. Omdat de exploitant van het vaartuig in Nederland is gevestigd, zijn van belanghebbende ook Nederlandse premies volksverzekeringen geheven.
2.2
Belanghebbende heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb) verzocht om in overleg met de bevoegde autoriteiten van Luxemburg te bepalen dat hij van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies volksverzekeringen verschuldigd was in Nederland.
2.3
De Svb heeft dit verzoek afgewezen en heeft het bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard.
2.4
De Rechtbank heeft het beroep voor zover het ziet op de periode voor 1 mei 2010 ongegrond verklaard en voor zover zij zien op de periode erna gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij bepaald dat de Svb het verzoek van belanghebbende voor zover het ziet op laatstgenoemde periode had moeten doorzenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteit.
2.5
De Centrale Raad van Beroep heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de beroepen voor zover zij zien op de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 ongegrond verklaard. Ten aanzien van het beroep betreffende het jaar 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep beslist dat dit terecht door de Rechtbank gegrond is verklaard en dat de Svb een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Belanghebbende bestrijdt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep met acht middelen van cassatie.
3.2
Elk middel bevat onder meer een motiveringsklacht. In zoverre falen de middelen omdat over de gebreken in de motivering van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in cassatie niet met succes kan worden geklaagd. De in de artikelen 53 van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW), 66 van de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw), 31 van de Algemene kinderbijslagwet (hierna: Akw) en 10.3.2 van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) neergelegde beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad bij de beoordeling van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep biedt daarvoor geen ruimte.
3.3
De middelen betogen voorts dat de Svb het verzoek van belanghebbende had moeten honoreren om op de voet van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag [2] , dan wel artikel 16 van Pro Verordening 883/2004 [3] , in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten ten einde in onderlinge overeenstemming voor belanghebbende vast te stellen dat hij bij wijze van uitzondering in Luxemburg verzekerd is. Volgens de middelen heeft de Centrale Raad van Beroep dit miskend en moet zijn uitspraak daarom door de Hoge Raad worden vernietigd.
3.4
De middelen falen ook in zoverre. Laatstgenoemde artikelen hebben op zichzelf niet het gevolg dat een ruimere dan wel beperktere werking wordt gegeven aan hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 6 AOW Pro of de daarmee overeenkomende bepalingen in de Anw, de Akw en de Wlz. Zij verschaffen slechts nationale autoriteiten van twee of meer (lid)staten de bevoegdheid om in onderlinge overeenstemming van die bepalingen af te wijken. De toetsing van de uitleg en toepassing die de Centrale Raad van Beroep aan die artikelen heeft gegeven valt daarom niet binnen de hiervoor in 3.2 omschreven beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad.
3.5
De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.

Voetnoten

2.Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien).
3.Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.