Conclusie
1.Overzicht
BNB2020/142 enz. [2] ).
mutual agreementprocedure onder een belastingverdrag met die andere Staat).
uitzonderingwordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. Dat is mijns inziens een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat.
BNB2020/142 [3] en/of art. 81 Wet Pro RO.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2020/142 [4] enz.), althans stellen geen punten aan de orde waarop u uit een oogpunt van rechtsontwikkeling of rechtseenheid zou moeten ingaan.
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling
junctode Rijnvarendenovereenkomst (vanaf 1 mei 2010). Ik ga om die reden alleen in op de middelen (iii) en (iv), en alleen voor zover daarin geklaagd wordt over de afwijzing van het verzoek om overleg met Luxemburg te openen over een uitzondering op de reguliere aanwijsregels. Voor de overige klachten verwijs ik naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor uw acht arresten van 10 juli 2020 (HR
BNB2020/142 [15] ).
nadatdie aanwijsregels zijn uitgelegd en toegepast, en dus al vaststaat welke lidstaat exclusief bevoegd is, maar de betrokken lidstaten op die reguliere, uiteindelijk door de rechter te beslechten aanwijzing om beleidsmatige redenen wensen af te wijken. Wel kunt u ingrijpen als twee Staten een uitzondering zouden maken tegen de wil van de verzekerde(n) en deze stelt/stellen dat die uitzondering leidt tot een resultaat dat niet verenigbaar is met de genoemde inter- en supranationale rechtsregels, met name niet met rechtstreeks werkende grondrechtelijke bepalingen.
shoppennaar een verzekeringsstelsel in enige lidstaat B dat hen om welke reden dan ook beter uitkomt dan het door de wet en EU-recht voor hen aangewezen stelsel.
overridingvan een van de in de cassatiebepalingen genoemde nationaalrechtelijke wetsartikelen die de verzekeringsplicht bepalen.
Allerechtsregels, ook de inter- en supranationale, wijzen immers naar Nederland.
junctode Rijnvarendenovereenkomst aangewezen Staat.
mutual agreement procedures- wel
in accordance withde Rijnvarendenovereenkomst is gehandeld. Zouden twee of meer Staten menen dat de door de Rijnvaartverklaring aangewezen scheepsexploitant in hun jurisdictie is gevestigd, dan wordt de
reguliereverzekeringsplicht ex de RVO wél (mede) bepaald door (de uitkomst van) een overlegprocedure daarover en zou tegen een uitspraak over een besluit over die overlegprocedure wellicht wel cassatie open moeten staan. Maar dan gaat het niet om een discretionaire
uitzonderingop de RVO, maar om de vraag welke Staat dwingend
regulierdoor de RVO wordt aangewezen (dat kan men wél ‘regularisatie’ noemen). U gaat er echter van uit [16] dat een dergelijk twijfelpunt niet kan bestaan omdat de RVO steeds eenduidig naar één Staat - die van de scheepsexploitant - wijst en niet voorziet in een onderling-overlegprocedure, maar wellicht is het toch denkbaar dat ten onrechte twee Rijnvaartverklaringen zijn afgegeven, of géén Rijnvaartverklaring, althans niet één waarop de (vestigingsplaats van de) exploitant vermeld wordt.
5.Conclusie
BNB2020/142 en/of art. 81 Wet Pro RO.