Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van de rechtbank
4.Beslissing
29 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de uitlevering van een persoon aan Turkije had toegestaan wegens verdenking van medeplegen van dubbele moord en poging tot moord in het drugsmilieu.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onzorgvuldig was door geen bijlage met een voldoende feitomschrijving aan haar uitspraak te hechten, waardoor niet duidelijk was voor welke feiten de uitlevering was toegestaan. Dit is een formeel verzuim dat de Hoge Raad ambtshalve herstelt.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank uitsluitend vanwege dit verzuim en verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de feiten zoals omschreven in het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten, gedateerd 19 december 2019.
De overige klachten van de opgeëiste persoon worden verworpen. De Hoge Raad hoeft deze niet inhoudelijk te motiveren omdat deze niet leiden tot vernietiging en geen belang hebben voor de rechtsontwikkeling.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de uitlevering voor de juiste feiten wordt bevestigd en het beroep verder wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis wegens onvolledige feitomschrijving maar verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de juiste feiten uit het Turkse verzoek.