Conclusie
1.Inleiding
2.Het uitleveringsverzoek
Number: […]
ARREST WARRANT
3.Het eerste middel
flagranteschending vermoedelijk niet nodig is (par. 3.23). Het vereiste dat tegen die schending geen rechtsmiddel openstaat is bovendien niet uit de EHRM-jurisprudentie af te leiden.
in casuhet lidmaatschap van het EHRM geen verschil (meer) maakt, nu uit de overlegde informatie blijkt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken.
bijlage 18, aangehecht). Dit illustreert hoe de formele grondslag van de arrestatie lang niet altijd de daadwerkelijke verdenkingen dekt.
the judiciary not only lacks structural independence, but [...] the decision-making of authorities and bodies that administer the justice system, as well as individual actions and decisions of prosecutors and judges, are manifestly partisan and often taken in pursuance of het objectives of the government.” Er is dus niet alleen sprake van directe politieke beïnvloeding: ook zonder concrete aanwijzingen van buitenaf handelen officieren van justitie en rechters partijdig en ter onderbouwing van de kennelijke wensen van de staat.
mitsdit gedaan is “in het kader van de activiteiten van een terroristische organisatie” (artikel 4 Anti Pro Terror Law). In het verleden is meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel: het heeft er dan ook alle schijn van dat het onderzoek tegen cliënt wel degelijk direct op betrokkenheid bij de PKK ziet. Overigens zijn de gebruikte termen
Cemaaten Irak (waar de PKK gevestigd is) daar ook indicaties voor.
business addressdat in het
arrest warrantgenoemd wordt het bedrijf van de broer van cliënt betreft wiens uitlevering geweigerd is! Dit duidt eveneens op een relatie tussen beide zaken althans onderbouwt de stelling dat cliënt dezelfde risico’s loopt. [1] ”
Zus [zus opgeëiste persoon]
3.3 Dreigende schending van fundamentele mensenrechten
dreigende flagranteschending van art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad heeft het toepasselijke beoordelingskader hiervoor in zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463,
NJ2017/276, m.nt. N. Rozemond als volgt gepreciseerd:
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
flagranteschending. Het begrip flagrante schending is afgeleid van de rechtspraak van het EHRM, die inhoudt dat art. 6 EVRM Pro slechts in uitzonderlijke gevallen aan uitlevering in de weg kan staan, namelijk wanneer de opgeëiste persoon “has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial”. [4] Een “flagrant denial of justice” is, aldus het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Othman/Verenigd Koninkrijk, “a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State”. Vereist is “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”. [5] De in de
Othman-uitspraak genoemde voorbeelden van een “flagrant denial of justice” betreffen:
in absentiawith no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (
Einhorn, cited above, § 33;
Sejdovic, cited above, § 84;
Stoichkov, cited above, § 56);
Bader and Kanbor, cited above, § 47);
Al-Moayad, cited above, § 101);
Othman-zaak voor het eerst een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro aan. Die dreigende flagrante schending hield in casu in dat een reëel risico bestond dat de betrokkene op basis van belastende verklaringen van gefolterde getuigen zou worden veroordeeld.
vast te staan” dat de
jegens de opgeëiste persoonhet risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Het enkele uitroepen van de noodtoestand in Turkije en (in de woorden van de raadsman) “het opschorten van het EVRM” op de voet van art. 15 EVRM Pro waren volgens Aben daarvoor ontoereikend. Aben benadrukte in dat kader onder meer dat het bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering steeds gaat om de vraag of voor
dezeopgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door het EVRM gewaarborgde rechten dreigt, niet om de vraag of de Turkse rechtstaat zich in zijn algemeenheid op een hellend vlak bevindt. Tot slot merkte Aben op dat de mensenrechtensituatie in Turkije alsnog van betekenis kan zijn voor de uitleveringszaak tegen de opgeëiste persoon, nu de Minister de mensenrechtensituatie in Turkije (moet) meewegen bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek en ook de weg naar de civiele rechter openstaat indien de Minister het verzoek zou inwilligen. [8]
dezeopgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde rechten dreigt. Alleen dan biedt het geldende juridische kader de uitleveringsrechter de ruimte om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
4.Het tweede middel
Ongenoegzaamheid stukken Turkije
toelaatbaaris.
arrest warrant. Artikel 12 EUV Pro vereist dat tot staving van (
be supported byin de originele tekst) een uitleveringsverzoek het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding wordt overlegd. In het dossier is uitsluitend een
arrest warrantopgenomen dat gedateerd is op 20 januari 2025. Het uitleveringsverzoek zelf echter dateert van 14 januari 2025; dit arrestatiebevel kan dan ook niet geacht worden het uitleveringsverzoek te
supporten.
Interpol red notice-verzoek. Dit raakt ook de eventuele gevangenhouding die u zou dienen te bevelen.
red notice-bevel.
Cemaat, Irak en het adres van de broer van cliënt inhoudt en of er in de zaak een relatie wordt gelegd met terrorisme.
indictmentvan 26 januari 2014
arrest warrantvan 4 augustus 2015 (volgens red notice)
3.5 Genoegzaamheid van de stukken
Article 12 (The request and supporting documents)
Artikel 18. De hierin gestelde eisen aan vorm en inhoud van verzoeken tot uitlevering komen overeen met de in verdragen gebruikelijke. Dit artikel zou, daar het betrekking heeft op voorwaarden waarvan de vervulling nodig is voor de mogelijkheid tot uitlevering, eigenlijk systematisch thuis behoren in hoofdstuk II. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn echter de bepalingen die aangeven wat in de opeenvolgende stadia van de uitleveringsprocedure kan of moet geschieden, in het derde hoofdstuk bijeengehouden.” [17]