ECLI:NL:HR:2021:104
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing inkeerregeling bij verzwegen buitenlandse bankrekening bij UBS
Belanghebbende had een bankrekening bij de Zwitserse bank UBS die in februari 2014 werd opgeheven. De Nederlandse Belastingdienst vroeg in juli 2015 via een groepsverzoek aan Zwitserse autoriteiten om rekeningoverzichten van Nederlandse rekeninghouders bij UBS. Belanghebbende werd niet persoonlijk geïnformeerd over dit verzoek.
In juni 2016 meldde belanghebbende aan de Inspecteur dat hij over in het buitenland aangehouden vermogen beschikte en verstrekte in september 2016 nadere informatie over de reeds opgeheven UBS-rekening. Vervolgens legde de Belastingdienst navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op over de jaren 2005 tot en met 2014.
Het geschil betrof de vraag of sprake was van vrijwillige verbetering in de zin van artikel 67n AWR. Het Hof oordeelde dat belanghebbende formeel niet onder het groepsverzoek viel en dat de Inspecteur op het moment van inkeer niet wist van de UBS-rekening, noch redelijkerwijs kon vermoeden dat deze bekend zou worden. Daarom kon belanghebbende een geslaagd beroep doen op de inkeerregeling.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 22 januari 2021 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en belanghebbende kan een geslaagd beroep doen op de inkeerregeling.