ECLI:NL:HR:2021:1109

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
8 juli 2021
Zaaknummer
20/00987
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 13 Verdrag betreffende de sociale zekerheid rijnvarenden
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie inzake verzoek tot regularisatieovereenkomst sociale zekerheid rijnvarenden

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin zijn verzoek tot het sluiten van een overeenkomst op grond van artikel 13 van Pro het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden werd afgewezen. Tevens vorderde belanghebbende een veroordeling tot schadevergoeding.

De Sociale Verzekeringsbank heeft verweer gevoerd en de Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep voor zover het verzoek tot overleg met Luxemburg betrof, en tot ongegrondverklaring voor het overige. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de motieven die zijn toegelicht in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2021:1026).

Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond verklaard en geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak bevestigt de beperkte rol van de Hoge Raad bij de toetsing van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in bestuursrechtelijke geschillen over sociale zekerheid van rijnvarenden.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en het verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00987
Datum9 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2020, nrs. 18/1801 AOW en 18/3710 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/5251) betreffende belanghebbendes verzoek tot het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden en betreffende belanghebbendes verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Sociale verzekeringsbank heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 april 2021 geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover ziende op de afwijzing van het verzoek om met de bevoegde autoriteiten van Luxemburg in overleg te treden en voor het overige tot ongegrondverklaring van dat cassatieberoep. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/01343 (ECLI:NL:HR:2021:1026), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.