ECLI:NL:HR:2021:1109
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep in cassatie inzake verzoek tot regularisatieovereenkomst sociale zekerheid rijnvarenden
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin zijn verzoek tot het sluiten van een overeenkomst op grond van artikel 13 van Pro het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden werd afgewezen. Tevens vorderde belanghebbende een veroordeling tot schadevergoeding.
De Sociale Verzekeringsbank heeft verweer gevoerd en de Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep voor zover het verzoek tot overleg met Luxemburg betrof, en tot ongegrondverklaring voor het overige. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld aan de hand van de motieven die zijn toegelicht in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2021:1026).
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond verklaard en geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak bevestigt de beperkte rol van de Hoge Raad bij de toetsing van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in bestuursrechtelijke geschillen over sociale zekerheid van rijnvarenden.
Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en het verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst wordt afgewezen.