Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. Echter, namens de verdachte zijn geen cassatiemiddelen ingediend, hetgeen een vereiste is om het beroep ontvankelijk te laten zijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat de wettelijke termijn voor het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd, waardoor het beroep niet in behandeling kan worden genomen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Daarom heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 16 februari 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.