ECLI:NL:HR:2021:1210

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 augustus 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
20/04396
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArtikel 13 Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van RijnvarendenArtikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Centrale Raad van Beroep inzake sociale zekerheidscoördinatie

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van sociale zekerheidsregels voor Rijnvarenden en de coördinatie van socialezekerheidsstelsels. De zaak betrof de uitleg en toepassing van artikel 13 van Pro het Verdrag van 30 november 1979 en artikel 16 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Daarbij was het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de zaak niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/04396
Datum6 augustus 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2020, nrs. 18/4774 AOW, 18/4785 AOW, 19/628 AOW en 19/629 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Sociale Verzekeringsbank tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. 17/2794 en 17/2795) betreffende een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden respectievelijk artikel 16 van Pro de Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door A.P. van den Berg, heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). [1]

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2021.

Voetnoten

1.Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026.