Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit de handel in cocaïne is vastgesteld. De betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne en deelname aan een criminele organisatie.
Het hof had het voordeel berekend aan de hand van twee methoden: een berekening gebaseerd op de totale aankoopprijs per afnemer en een berekening gebaseerd op de hoeveelheden afgenomen cocaïne per afnemer. Beide methoden waren gebaseerd op verklaringen van afnemers en voldoende onderbouwd. Het hof koos ervoor het w.v.v. vast te stellen op het gemiddelde van de twee uitkomsten.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het gemiddelde had genomen in plaats van het laagste bedrag, en dat de motivering ontoereikend was. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie dat het voordeel moet worden vastgesteld op het daadwerkelijk behaalde voordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het voordeel op een juiste wijze had geschat en dat de motivering toereikend was.
Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De Hoge Raad bevestigde daarmee de berekeningswijze en de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het door het hof vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 678.798,94.