Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
(Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5)
4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
5.Beslissing
14 september 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van zijn vriendin, waarbij het hof oordeelde dat zij als 'levensgezel' in de zin van artikel 304 Sr Pro kon worden aangemerkt. De bewezenverklaring baseerde zich op verklaringen van verdachte, het slachtoffer en politieverslagen, alsmede medisch bewijs van het letsel.
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het slachtoffer als levensgezel kon worden beschouwd. De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd of de relatie tussen verdachte en slachtoffer voldeed aan de criteria van nauwe persoonlijke betrekking en hechtheid die vereist zijn voor het begrip 'levensgezel' volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en wees de zaak terug aan het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof de aard en hechtheid van de relatie tussen verdachte en slachtoffer adequaat moet onderzoeken en motiveren. Andere cassatiemiddelen werden niet behandeld vanwege de vernietiging.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 14 september 2021.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering levensgezel en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.