Conclusie
Nummer24/00522
Inleiding
De zaak in het kort
Het namens de verdachte voorgestelde middel
4.4.1.1 Overlijden van [slachtoffer] op 12 december 2019
extreem veel waarschijnlijker zijnwanneer de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen (hypothese 1), dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met de dezelfde systeemkenmerken (hypothese 2). Voor de overige hulzen geldt dat de resultaten van het onderzoek
veel waarschijnlijker zijnwanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. Vermoedelijk zijn alle hulzen verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum. Er zijn geen aanwijzingen dat het betreffende vuurwapen bij eerdere schietincidenten in Nederland is gebruikt.
“4.4.9 Eindconclusie ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
“ [benadeelde 1] vordering affectieschade
Levensgezel 6:108 lid 4 sub b BW
duurzaam een gemeenschappelijke huishoudingvoerde (sub b).
eerste deelklachtkomt erop neer dat het hof bij zijn oordeel dat [benadeelde 1] niet als ‘levensgezel’ als bedoeld in art. 6:108 lid 4 sub b BW Pro kan worden aangemerkt ten onrechte heeft volstaan met de overweging dat deze laatste zijn hoofdverblijf in Marokko had. Uit (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2021 [8] zou immers volgen dat, om als levensgezel in vorenbedoelde zin te kunnen worden aangemerkt, het niet per se vereist is dat de betrokkenen met elkaar samenwonen.
(Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5)
duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert. [9]
tweede deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij geen aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 sub g BW Pro, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Door de benadeelde partij zou immers gesteld en onderbouwd zijn dat zij als een persoon als bedoeld in laatstgenoemd artikel moet worden aangemerkt (de benadeelde partij en [slachtoffer] waren jeugdliefdes, zij hadden samen een kind en bij de benadeelde partij thuis is kleding alsook het paspoort van [slachtoffer] aangetroffen), terwijl van een gemotiveerde betwisting daarvan door de verdediging geen sprake zou zijn.