Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 december 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt op grond van artikel 3.B van de Opiumwet. De verdachte stelde zich op het standpunt dat het hof ten onrechte had vastgesteld dat hij opzettelijk gelegenheid had verschaft door een pand ter beschikking te stellen.
In cassatie heeft de verdachte via zijn advocaat een middel ingediend dat klaagt over de bewezenverklaring van het opzet. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor het oordeel omdat het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 21 september 2021. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.