Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beslissing
21 september 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens meermalige verduistering gepleegd tussen mei en september 2015. Het hof motiveerde de straf onder meer door te verwijzen naar een eerdere onherroepelijke veroordeling van de verdachte, die hem er kennelijk niet van weerhield de onderhavige feiten te plegen.
De Hoge Raad stelt vast dat de eerdere veroordeling pas onherroepelijk werd in november 2015, na het plegen van de feiten. Volgens vaste jurisprudentie mag een niet tenlastegelegd feit slechts worden betrokken bij strafoplegging als de veroordeling daarvoor onherroepelijk is op het moment van het begaan van de nieuwe feiten, zeker wanneer daaraan strafverzwarende betekenis wordt toegekend.
Omdat het hof in de strafmotivering specifiek gewicht gaf aan het feit dat de verdachte ondanks de eerdere veroordeling opnieuw strafbare feiten pleegde, en deze veroordeling toen nog niet onherroepelijk was, is de motivering van de strafoplegging ontoereikend. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens ontoereikende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.