ECLI:NL:HR:2021:1271
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Overgangsrecht en navordering van douanerechten bij invoer onder het Douanewetboek van de Unie
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de navordering van douanerechten bij invoer. De douaneschuld van belanghebbende Jumbocarry Trading GmbH was ontstaan vóór de inwerkingtreding van het Douanewetboek van de Unie (DWU) op 1 mei 2016, maar was op die datum nog niet verjaard.
De Hoge Raad heeft in een eerder arrest prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van bepalingen van het DWU met betrekking tot de navordering van douanerechten bij overgang van het oude communautaire douanewetboek (CDW) naar het DWU. Het Hof van Justitie heeft op 3 juni 2021 geoordeeld dat de artikelen 103 lid 3 onder b en 124 lid 1 onder a van het DWU ook van toepassing zijn op douaneschulden die vóór 1 mei 2016 zijn ontstaan en op die datum nog niet verjaard waren, zonder dat dit in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen.
Op basis van deze prejudiciële uitspraak oordeelt de Hoge Raad dat het Hof Amsterdam een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het DWU niet toe te passen op de navordering van de douaneschuld van belanghebbende. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verklaart het beroep tegen de navordering ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de navordering van douanerechten wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Amsterdam vernietigd.