ECLI:NL:GHAMS:2018:605
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over tijdigheid van uitreiking douaneschuld en toepassing verjaringsregels
De zaak betreft hoger beroep van de inspecteur tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die een bezwaar van belanghebbende tegen een verzameluitnodiging tot betaling (utb) deels gegrond verklaarde. De utb betrof een bedrag van 160.127,28 euro aan douanerechten, waarvan 5.805,36 euro was nagevorderd op een aangifte uit 2013.
De kern van het geschil is of de utb tijdig is uitgereikt voor het bedrag van 5.805,36 euro, waarbij de vraag speelt of artikel 221, lid 3 van het Douanewetboek (CDW) of artikel 124, lid 1, aanhef en onder a van het Douanewetboek van de Unie (DWU) van toepassing is op deze douaneschuld. Het hof stelt vast dat materiële regels van het CDW gelden voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van het DWU, terwijl procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn.
Het hof oordeelt dat de termijn van drie jaar uit artikel 221, lid 3 CDW niet is opgeschort en dat de utb daarom niet tijdig is uitgereikt. De nieuwe regeling in artikel 124 DWU Pro kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast omdat dit in strijd zou zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De douaneschuld is derhalve door verjaring tenietgegaan en het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard.
Tot slot veroordeelt het hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en legt griffierecht op.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de douaneschuld is door verjaring tenietgegaan.