Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2015. Het ingediende beroepschrift bevatte echter niet de gronden van het beroep. De rechtbank stuurde een verzuimbrief waarin belanghebbende werd verzocht binnen vier weken de gronden in te dienen. Na het uitblijven van reactie volgde een herinneringsbrief met een laatste termijn.
Belanghebbende diende binnen deze termijnen geen gronden in, waarop de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het verzet tegen deze beslissing werd door de rechtbank ongegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard, mede gelet op een gelijkluidend arrest in een samenhangende zaak.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak naar de Rechtbank Den Haag voor verdere behandeling en beslissing op het verzet. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.