Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
[betrokkene 1].”
5.Beslissing
28 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de aanvrager is veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van een aangifte inkomstenbelasting over 2007. De bewezenverklaring steunt onder meer op verklaringen van een boekhouder die niet op de hoogte was van de betrokkenheid van de aanvrager bij een Stichting Particulier Fonds (SPF) op de Nederlandse Antillen.
De aanvrager stelde in de herzieningsaanvraag dat de boekhouder in een nieuwe verklaring was teruggekomen op zijn eerdere belastende verklaring, wat een grond zou vormen voor herziening. De Hoge Raad stelt dat de aanvrager aannemelijk moet maken waarom getuigen terugkomen op belastende verklaringen. De redenen die de boekhouder gaf voor zijn terugkomen zijn echter onvoldoende om aan te nemen dat de nieuwe verklaring juist is.
Het hof had de bewezenverklaring niet uitsluitend gebaseerd op het feit dat de boekhouder niet volledig was geïnformeerd, maar ook op het ontbreken van gedegen kennis en advisering door de boekhouder op fiscaal gebied. De nieuwe verklaring van de boekhouder tast deze overweging niet aan. Daarom is de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wordt deze afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende nieuw bewijs.