Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 maart 2021.
Hoge Raad
In deze zaak is door de verdachte cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2019, waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, aangezien de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarmee is het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink, samen met raadsheren Buruma en Röttgering, tijdens een openbare terechtzitting op 9 maart 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, het arrest van het gerechtshof blijft in stand.