Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvraag
3.De aanvraag tot herziening
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
5.Beoordeling van de aanvraag
6.Beslissing
11 juli 2023.
Hoge Raad
De aanvrager is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van de aangifte inkomstenbelasting over 2007, met een gevangenisstraf van acht maanden waarvan drie voorwaardelijk. De Hoge Raad heeft een eerdere herzieningsaanvraag reeds afgewezen.
In deze nieuwe aanvraag voert de aanvrager aan dat nieuwe verklaringen en een brief aan de Belastingdienst een ernstig vermoeden opleveren dat het hof bij kennis hiervan tot vrijspraak zou zijn gekomen. De Hoge Raad heeft dit onderzocht en geoordeeld dat de brief en verklaringen onvoldoende zijn om het eerdere oordeel van het hof te ondermijnen. Het hof heeft immers uitgebreid bewijs verzameld waaruit blijkt dat de aanvrager bewust zijn betrokkenheid bij een Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF) en de behaalde winst niet heeft verantwoord in zijn aangifte.
De verklaringen van getuigen die terugkomen op eerdere verklaringen of aanvullende feiten aanvoeren, raken niet aan de kern van de bewijsvoering. Ook de omstandigheden dat betalingen via een BV van de broer van de aanvrager liepen, waren reeds bekend bij de rechter. De Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde nieuwe gegevens geen grond vormen voor herziening en wijst de aanvraag af.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering bij fiscale strafzaken en de hoge drempel voor het toekennen van herziening op basis van nieuwe verklaringen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor opzettelijk onjuiste aangifte inkomstenbelasting.