Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 november 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak verzocht klaagster om teruggave van drie personenauto’s die onder haar echtgenoot in beslag waren genomen in een strafrechtelijk onderzoek naar fraude, witwassen en overtreding van de Opiumwet. Hoewel de kentekenbewijzen op haar naam stonden, oordeelde de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat zij de eigenaar was. De rechtbank vond dat de tenaamstelling in het kentekenregister niet doorslaggevend is voor eigendom en dat klaagster onvoldoende bewijs had geleverd om haar eigendom te onderbouwen.
Klaagster stelde dat het bezitsvermoeden haar eigendom bevestigde en dat de officier van justitie dit moest weerleggen. De rechtbank oordeelde echter dat zij als initiatiefnemer van de procedure haar stellingen moest onderbouwen en dat zij dit niet had gedaan. Ook het feit dat zij niet eerder in eerdere procedures haar eigendom had opgeëist, leidde tot twijfel over haar eigendom.
De Hoge Raad bevestigde dat bij beslag op een voorwerp en een beklagprocedure de rechter moet toetsen of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klaagster eigenaar is. Daarbij is de tenaamstelling in het kentekenregister niet doorslaggevend. De Hoge Raad vond het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat niet buiten redelijke twijfel is vastgesteld dat klaagster eigenaar is van de in beslag genomen auto’s.