Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AN7282

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00657/03 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beklag ex art. 552a Sv over procesorde en reactiemogelijkheid

In deze zaak stond een beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering centraal, waarbij de klager verzocht om teruggave van een in beslag genomen geldbedrag. De Rechtbank Haarlem verklaarde dit beklag ongegrond, waarna de klager in cassatie ging bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de vraag of de klager of diens raadsman in de gelegenheid had moeten worden gesteld te reageren op het standpunt van de officier van justitie, die zich had verzet tegen het teruggaveverzoek. De klager stelde dat beginselen van een behoorlijke procesorde vereisen dat zo’n reactiemogelijkheid wordt geboden, en dat het ontbreken daarvan het onderzoek nietig maakt.

De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat deze opvatting onjuist is. Er bestaat geen verplichting om de klager te laten reageren op een tot ongegrondverklaring strekkend betoog van de officier van justitie in het kader van een beklag ex art. 552a Sv. Het ontbreken van een dergelijke gelegenheid leidt niet tot nietigheid van het onderzoek.

Daarmee werd het beroep in cassatie verworpen en bleef de beschikking van de Rechtbank Haarlem in stand, waarmee het beklag ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het beklag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

9 december 2003
Strafkamer
nr. 00657/03 B
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 8 november 2002, nummer RK 02/576, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven geldbedrag.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet in staat heeft gesteld te reageren of te antwoorden op het standpunt van de Officier van Justitie.
3.2. Het betreft hier een beklag als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klager van een onder een derde in beslag genomen voorwerp. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van de Rechtbank heeft de Officier van Justitie, nadat de klager en diens raadsman het woord hadden gevoerd, zich op het standpunt gesteld dat het beslag diende te worden gehandhaafd.
3.3. Het middel berust op de opvatting dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat in een geval als het onderhavige, waarin de officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag, de klager dan wel zijn raadsman in de gelegenheid moeten worden gesteld daarop te reageren en dat bij gebreke daarvan het onderzoek aan nietigheid lijdt. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2003.