ECLI:NL:HR:2021:1595
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid informatieverplichting Inspecteur bij gebruikelijkheidstoets werkkostenregeling
Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen loonheffingen en de toepassing van de gebruikelijkheidstoets op toegekende bonusaandelen aan groepsraadleden in 2012 en 2013. De Inspecteur had op grond van artikel 53 AWR Pro een vragenbrief gestuurd aan 88 ondernemingen in dezelfde branche om informatie te verkrijgen over het verstrekken van bonussen.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur met deze vragenbrief zijn bewijslast had vervuld en dat de wijze van informatieverzameling niet onrechtmatig was. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur oneigenlijk gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid door ook informatie te vragen aan administratieplichtigen zonder zakelijke relatie en door te vragen naar bonussen binnen concerns, wat buiten de eigen administratie valt.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat de tekst en geschiedenis van artikel 53 AWR Pro geen beperking van de kring van administratieplichtigen rechtvaardigen. Ook was er geen sprake van onbehoorlijk gebruik van bevoegdheid, omdat belanghebbende geen feiten had gesteld die dit aannemelijk maakten. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde hiermee de rechtmatigheid van de informatieverplichting van de Inspecteur in het kader van de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.