Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 oktober 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of gedragingen van een erfgenaam kunnen worden aangemerkt als zuivere aanvaarding van de nalatenschap volgens art. 4:192 lid Pro 1 (oud) BW. De vader en moeder waren gehuwd in gemeenschap van goederen en overleden respectievelijk in 2001 en 2014. De erfgenamen zijn moeder, eiseres, verweerster 1 en verweerder 2. Verweerder 2 ruimde de kamer van moeder in het verzorgingstehuis leeg en betaalde enkele kleine uitgaven ten laste van de nalatenschap.
Eiseres vordert dat verweerder 2 wordt veroordeeld tot betaling van haar erfdeel en legitieme portie, stellende dat verweerder 2 de nalatenschap zuiver heeft aanvaard door zijn gedragingen. De rechtbank en het hof wezen deze vorderingen af. Het hof oordeelde dat de handelingen van verweerder 2 niet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuivere aanvaarding konden worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt dat zuivere aanvaarding een rechtshandeling is die een op dat rechtsgevolg gerichte wil vereist. Daden van beheer zoals het ontruimen van de kamer en het doen van kleine betalingen ten laste van de nalatenschap zijn niet zonder meer te kwalificeren als zuivere aanvaarding. Het hof heeft ten onrechte te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van eiseres en het bewijs niet voldoende toegelaten. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.