Uitspraak
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de voldoening van een belastingbedrag (bpm) terwijl zij niet de aangifteplichtige of kentekenhouder was en het bedrag ook niet zelf had voldaan. Het hof stelde vast dat belanghebbende geen aanspraak kon maken op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, omdat zij geen financieel belang had bij de beslissing op het bezwaar.
Belanghebbende stelde dat het hof hiermee in strijd handelde met artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat het hof ervan uitging dat alleen wie daadwerkelijk spanning en frustratie ondervindt door de overschrijding recht heeft op vergoeding. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat bij het ontbreken van een financieel belang geen aanleiding is te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie veroorzaakt.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee werd bevestigd dat alleen belanghebbenden die op grond van de wet gerechtigd zijn een rechtsmiddel aan te wenden aanspraak kunnen maken op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen vergoeding immateriële schade wordt toegekend bij ontbreken van financieel belang.