ECLI:NL:HR:2021:1679

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
20/01256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof inzake dividendbelasting beschikking

Belanghebbende uit België stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op zijn beurt het hoger beroep behandelde tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake dividendbelasting. De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof.

De Hoge Raad gaf geen inhoudelijke motivering bij het oordeel, omdat de beoordeling van de middelen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Er werd ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard. Hiermee blijft de beschikking inzake dividendbelasting ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de beschikking inzake dividendbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01256
Datum12 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], België (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 februari 2020, nr. 19/00297 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 17/5612) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake dividendbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.M.H. Klooster, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2021.