ECLI:NL:HR:2021:1681

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
20/03233
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslagen loonheffingen belanghebbende

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over aan haar opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over de jaren 2012 en 2013, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

Na eerdere vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad in 2019, heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in het geschil. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak, waarbij meerdere middelen werden voorgesteld. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in en beide partijen wisselden conclusies van repliek en dupliek uit.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof in stand en worden de naheffingsaanslagen bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen loonheffingen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03233
Datum12 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020, nrs. BK-19/00471 en BK-19/00472, betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 juni 2013 tot en met 30 juni 2013 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019, nr. 18/00956, ECLI:NL:HR:2019:1198, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, nrs. 16/00421 en 16/00422 [1] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.J.F. Stormmesand, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 21 juni 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/03229 (ECLI:NL:HR:2021:1595), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2021.