ECLI:NL:HR:2021:1707
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Wettelijke rente over proceskostenvergoeding bij overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over een verzoek tot toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Rechtbank wees het beroep ongegrond maar kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het Hof Amsterdam veroordeelde de heffingsambtenaar en de Minister voor Rechtsbescherming ieder voor 50% in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten, maar wees het verzoek om wettelijke rente over de proceskostenvergoeding af.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte de wettelijke rente had afgewezen. De Hoge Raad overwoog dat bij niet-tijdige betaling van proceskostenvergoeding de wettelijke rente moet lopen vanaf vier weken na de uitspraak van het Hof, zoals eerder bepaald in het arrest van 21 december 2018. Het Hof had dit verzuimd, zodat het middel slaagde en het arrest vernietigd werd voor zover het de wettelijke rente betrof.
Verder werd vastgesteld dat het door het Hof vastgestelde griffierecht correct was, mede op basis van ambtshalve ingewonnen informatie over creditering van griffierechten. De overige klachten faalden. De Hoge Raad veroordeelde de gemeente Amsterdam en de Minister voor Rechtsbescherming tot betaling van wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot volledige voldoening, en tot vergoeding van griffierechten en kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat wettelijke rente over de proceskostenvergoeding verschuldigd is vanaf vier weken na de uitspraak van het Hof.