ECLI:NL:HR:2021:174

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2021
Publicatiedatum
3 februari 2021
Zaaknummer
20/02086
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen verzetuitspraak niet-ontvankelijk

Belanghebbende, woonachtig in Marokko, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 maart 2020, die betrekking had op verzet tegen een eerdere uitspraak van 31 oktober 2019. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie. Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken indien dit bij wet is toegestaan.

In deze zaak is er geen wettelijke bepaling die cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep toestaat wanneer deze zijn gedaan op verzet tegen een uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Daarnaast werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het betaalde griffierecht van €135 werd aan belanghebbende teruggegeven.

Het arrest werd uitgesproken op 5 februari 2021 door raadsheer Wortel als voorzitter en raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbrekende wettelijke grondslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02086
Datum5 februari 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Marokko (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Centrale Raad van Beroep van 6 maart 2020, nr. 19/813 ANW-V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 oktober 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak. Het beroep in cassatie moet daarom niet–ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2021.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 135 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.