ECLI:NL:HR:2021:1934

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
21/03944
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76.1 ROArt. 4.1 Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten leden Staten-Generaal
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet-vervolging voormalig minister ambtsmisdrijven

De klager diende op 31 mei 2021 aangifte in tegen de toenmalig demissionair minister van Buitenlandse Zaken wegens vermeende financiering van terroristische organisaties. Na afzien van strafvervolging door de officier van justitie, maakte de klager op 6 september 2021 schriftelijk beklag bij de procureur-generaal, die het beklag doorzond naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beklag aan de hand van artikel 119 Grondwet Pro, artikel 76 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 4 lid 1 van Pro de Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten. Deze bepalingen stellen dat ministers alleen door de Hoge Raad kunnen worden vervolgd voor ambtsmisdrijven indien daartoe een koninklijk besluit of een besluit van de Tweede Kamer is genomen.

Omdat de Hoge Raad niet bevoegd is om zelfstandig opdracht te geven tot vervolging zonder een dergelijk besluit, werd het beklag van de klager als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor was oproeping van de klager niet noodzakelijk en werd het beklag afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag wegens gebrek aan bevoegdheid tot vervolging zonder koninklijk besluit of Tweede Kamerbesluit.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03944 B
Datum21 december 2021
BESCHIKKING
in de zaak
van
[klager] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: de klager,
tegen
S.A.M. Kaag.

1.Het beklag

De klager heeft op 31 mei 2021 aangifte gedaan tegen de toenmalig (demissionair) minister van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze aangifte werd gedaan ter zake van - kort gezegd - financiering van terroristische organisaties.
Bij brief van 23 augustus 2021 is de klager in kennis gesteld van de beslissing van de officier van justitie om af te zien van strafvervolging.
Op 6 september 2021 heeft de klager schriftelijk beklag gedaan bij de procureur-generaal over het niet vervolgen van de betreffende minister. Omdat dit schriftelijk beklag moet worden aangemerkt als een klaagschrift op grond van artikel 13a van het Wetboek van Strafvordering, heeft de procureur-generaal het klaagschrift doorgeleid naar de Hoge Raad.
Het klaagschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de procureur-generaal F.W. Bleichrodt strekt tot nietontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

2.1
Het beklag betreft door de minister beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in artikel 76 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO).
2.2
Op grond van artikel 119 Grondwet Pro, artikel 76 lid 1 RO Pro en artikel 4 lid 1 van Pro de Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen, staan (voormalige) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (vgl. HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1554).
2.3
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is om opdracht te geven tot vervolging ter zake van een door een minister gepleegd ambtsmisdrijf als door de klager bedoeld, is het beklag van de klager kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van de klager achterwege kan blijven.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 december 2021.