Uitspraak
1.Het beklag
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
3.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De klager diende op 31 mei 2021 aangifte in tegen de toenmalig demissionair minister van Buitenlandse Zaken wegens vermeende financiering van terroristische organisaties. Na afzien van strafvervolging door de officier van justitie, maakte de klager op 6 september 2021 schriftelijk beklag bij de procureur-generaal, die het beklag doorzond naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beklag aan de hand van artikel 119 Grondwet Pro, artikel 76 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 4 lid 1 van Pro de Wet ministeriële verantwoordelijkheid ambtsdelicten. Deze bepalingen stellen dat ministers alleen door de Hoge Raad kunnen worden vervolgd voor ambtsmisdrijven indien daartoe een koninklijk besluit of een besluit van de Tweede Kamer is genomen.
Omdat de Hoge Raad niet bevoegd is om zelfstandig opdracht te geven tot vervolging zonder een dergelijk besluit, werd het beklag van de klager als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor was oproeping van de klager niet noodzakelijk en werd het beklag afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag wegens gebrek aan bevoegdheid tot vervolging zonder koninklijk besluit of Tweede Kamerbesluit.